vrijdag 13 oktober 2017

Een oude gewoonte


Op de laatste antiquarenbeurs in het Marriott Hotel heb ik vooral veel gekeken en gepraat.
Gekocht heb ik niets... hoewel...
Ik sprak even met Arine van antiquariaat Van der Steur en sprak af dat ik haar zou mailen met wat vragen.
Eén daarvan was de vraag of zij beschikten over het portret van Willem Bilderdijk (1756-1831) door Jan Hulstkamp (1759-1786) uit 1786, met gedicht van Jan Willem Kumpel (1757-1826) wiens lot zo dramatisch verbonden was met Bilderdijk! Het antwoord was positief, er waren zelfs meerdere exemplaren, en één daarvan kwam mijn kant op.
Inmiddels heb ik het portret ontvangen en toegevoegd aan mijn bijzondere exemplaar van "Mijn Verlustiging" (Leiden/Amsterdam, 1781), waarover ik hier schreef. Trouwe lezers van mijn blog weten dat ik dat wel vaker doe met portretgravures en daarom leek het me aardig daarover iets meer te vertellen.

Anders dan vrijwel alle moderne industrieel vervaardigde uitgaven van tegenwoordig was het oude (met de hand vervaardigde) boek nooit standaard.
Tekst, illustraties en band waren aparte onderdelen met hun eigen vaklieden (drukker, graveur, binder). Illustraties werden bovendien door uitgevers vaak gebruikt voor verschillende titels. Daarom vinden we bijvoorbeeld portretten uit Jakobus Kok: “Vaderlandsch Woordenboek (Amsterdam, 1785-1799) ook terug in de "Vaderlandsche Historie..." van Jan Wagenaar (1709-1793).
Een goed voorbeeld van een uitgave die in tal van variaties door de uitgever werd aangeboden (en dan nog door de koper zelf kon worden aangevuld en verrijkt zoals u verderop kunt lezen) is de achttiende eeuwse Amsterdamse stadsgeschiedenis van Jan Wagenaar.

Uitgever en koper bepaalden dus uiteindelijk hoe een boek er kwam uit te zien. Het verrijken van boeken door het toevoegen van (extra) portretten, kaarten of afbeeldingen is in de boekenwereld en bibliofilie een oude gewoonte (NB. lees ook mijn: "Een boek naar eigen smaak").
Engelse boekenvrienden praten dan over een ‘grangerized copy’ naar James Granger (1723-1776) en sommige van zijn navolgers als de Britse Alexander Meyrick Broadley (1847-1916), wiens rijke bibliotheek tal van boeken kenden voorzien van honderden extra illustraties, waren daar bepaald handig in!

Voorbeelden van oude uitgaven die door een vorige (vaak de eerste) eigenaar werden verrijkt bevinden zich ook in mijn collectie.

Een zeventiende eeuws voorbeeld is het ingekleurde portret van Pieter Corneliszoon Hooft (1581-1647) door Reinier van Persijn (ca. 1614-1668), naar een schilderij van Joachim von Sandrart, en met een latijns gedicht van Casparus Barlaeus). Het werd door een vorige bezitter toegevoegd aan de eerste druk van: "Neederlandsche Histoorien, Sedert de ooverdraght der Heerschappye van Kaizar Karel den Vyfden, op Kooning Philips zynen zoon" (Amsterdam, 1642). Bijzonder is dat het contemporain door een goede 'afsetter' werd ingekleurd (let op de glanseffecten in de zwarte mantel en de roze wangetjes!) en dat is iets dat je eerder en vaker tegenkomt bij oude topografische kaarten en historieprenten.

Een ander achttiende eeuws voorbeeld in mijn boekenkast is een los vierde deel (groot folio) van de eerdergenoemde stadsbeschrijving van Jan Wagenaar. Behalve de gebruikelijke platen heeft de koper vier grote portretgravures en acht historieprenten vooral met betrekking op gebeurtenissen in 1787 extra laten inbinden. Verschillende daarvan heb ik eerder besproken zoals het portret van de dappere burger-kapitein Abraham Valentijn uit 1787, het portret van de Amsterdamse burgervader mr. Egbert de Vrij Temminck (1700-1785) en vier afbeeldingen (proefdrukken) van de beruchte begrafenis van de Oranjegezinde Doelist Daniel Raap in 1754.


Maar zoals ik in de inleiding al schreef voeg ik dus ook zelf regelmatig portretten toe aan mijn oude boeken. Dat kan op verschillende manieren.
Bijvoorbeeld; het portret van Jan Fredrik Helmers (1767-1813) door Philippus Velijn (1787-1836), dat ik kocht voor mijn bijzondere uitgave van de "Hollandsche natie in zes zangen" (Den Haag, 1812), is als apart blad tussen de blanco bladen van het voorwerk gezet (met behulp van wat boekbindersstijfsel).
Datzelfde lukte mij met het portret van Adriaan Kluit (1735-1807) niet!
Het formaat van zijn: "Historia Critica Comitatus Hollandiae et Zeelandiae ab Antiquissimis Inde Deducta Temporibus” (Middelburg 1777-1782)", waaraan ik het toevoegde, is immers veel groter dan de portretgravure van Ludwig Gottlieb Portman (1772-1828). Daarom zit zijn portret geplakt op de binnenzijde van het voorplat.


Dat laatste deed ik ook met het portret van Robert Hennebo (1685-1737) door Christian Friedrich Fritzsch (1719-voor 1774) dat ik toevoegde aan de "Verzamelde dicht-werken van Robert Hennebo” (Diverse plaatsen, 1767), waarover u hier kunt lezen. Dit portret werd destijds los verkocht voor zes stuivers, “Om door de liefhebbers by de GEDICHTEN en SCHIM van HENNEBO te kunnen gevoegd worden” (Leydse courant van 6 mei 1767). Een oude gewoonte dus, dat toevoegen van portretten!


Een portret dat nadrukkelijk wél voor een specifieke uitgave werd vervaardigd is de afbeelding van Johannes Florentius Martinet (1729-1795) door Reinier Vinkeles (1741-1816) uit 1778. Op de gravure is rechtsboven 'IV.D. Pl.7' te zien. Het is een verwijzing naar het vierde deel (plaat 7) van zijn “Katechismus der natuur" (Amsterdam 1778-1779). Ik plaatste mijn exemplaar in zijn "Huisboek voor vaderlandsche huisgezinnen” (Amsterdam, 1793), zoals u hier kunt lezen.


Twee publicaties in mijn bibliotheek waarover ik nog niet schreef maar waaraan ik ook auteursportretten toevoegde zijn:
A. De afbeelding van Mr. Jacobus Scheltema (1767-1835) in 1818 gegraveerd door Jacob Ernst Marcus (1774-1826) aan zijn: "Geschied- en Letterkundig Mengelwerk" (Amsterdam, 1818-1836) en:
B.  De afbeelding van Simon Styl (1731-1804), door eerdergenoemde Reinier Vinkeles, aan: "De opkomst en bloei der vereenigde Nederlanden" (Amsterdam/Harlingen, 1778). 


En nu dus, als voorlopige laatste, Bilderdijk.
Wederom Bilderdijk moet ik zeggen, want het is mijn tweede portret van deze 'gefnuikte arend' dat ik aan een oude uitgave toevoeg. Zoals ik in: "Collectievorming" beschreef heb ik een ander Bilderdijk-portretje, gegraveerd in 1819 door Hendrik Willem Caspari (1770-1829), geplakt in zijn vroeg negentiende eeuwse bewerking van: “Joannes Antonides v.d. Goes, Gedichten, met ophelderende aanteekeningen” (Leiden, 1827-1836).


Dat portretje zou trouwens, evenals vele andere portretten van Bilderdijk, bepaald misstaan hebben in zijn erotische debuut "Mijn Verlustiging". Wat mij betreft kwam alleen het portret van Jan Hulstkamp daarvoor in aanmerking al was het maar omdat Bilderdijk dit portret typeerde als; "een Wildeman, het dolhuis uitgevlogen".
Bilderdijks weinig vleiende opmerking werkte voor mij natuurlijk als een aanbeveling! Immers; alleen die Bilderdijk schreef erotische poëzie en niet de man die we op talrijke andere portretten zien als geleerde advocaat, gezaghebbend taalkundige of eerzaam schrijver.


Hieruit blijkt wel dat ik niet elk portret zo maar aan een uitgave toevoeg. Het moet zoveel mogelijk contemporain zijn en gevoelsmatig ‘passen’. Zo heb ik nog geen auteursportret kunnen plaatsen in mijn exemplaar van: "Gedichten, van J. Antonides vander Goes” (Amsterdam, 1685).
Niet omdat de afbeelding van Antonides van der Goes niet verkrijgbaar is, vooral de prent gegraveerd door Pieter van Gunst (ca. 1659-1731) is antiquarisch ruim voorradig, maar omdat ik uitsluitend de afbeelding gegraveerd door Jacobus Gole (1665-1724) vind passen. Alleen dat portret komt nog wel eens voor in eerste druk uit 1685 terwijl het portret door Van Gunst pas verschijnt in de derde druk van al zijn gedichten (1714)

Het toevoegen van extra illustraties aan oude boeken, waaronder portretten, mag dan een oude gewoonte zijn; ik ken (nog) geen andere bibliofiele medeverzamelaars die doen wat ik doe. U wel?

vrijdag 29 september 2017

Om de eer van een heer...

Toen ik op een zaterdagmorgen Amsterdam introk voor wat kleine boodschappen stapte ik zoals gewoonlijk uit bij de metrohalte Waterlooplein.
Van daaruit beloop ik vaak zo'n beetje de hele binnenstad maar bovendien kan ik dan gelijk even snuffelen in de boekenkraam van Jos Albers op het plein.

Ik had ditmaal succes. Voor een tientje kocht ik een compleet ingebonden eerste jaargang van "De Amsterdamsche Gids" (Amsterdam, 1925/1926), "Een maandschrift, dat door populaire geïllustreerde beschrijvingen van verschillende Gemeentebedrijven en -instellingen een nauwer contact zal trachten te bewerkstelligen tusschen de ingezetenen en genoemde diensten en bedrijven". Losse afleveringen daarvan kom ik regelmatig tegen en ook antiquarisch worden ze her en der aangeboden. Sommige themanummers zijn collectoritems geworden, zoals het nummer dat ik eerder noemde in mijn blog "Saartje Wip en de Stadsreiniging".
Een complete eerste jaargang verzamelen wordt steeds moeilijker en dat was al zo tijdens de verschijning zo blijkt uit een mededeling in het laatste, twaalfde, nummer (blz. 10).
"Herhaaldelijk ontvangen wij aanvragen tot nalevering van reeds verschenen nummers van De Amsterdamsche Gids, ter completering van den jaargang.
Tot onze spijt kunnen wij hieraan niet voldoen voor zoover het de nummers 1 en 6 betreft, aangezien deze geheel zijn uitverkocht. Doch wellicht zijn er onder onze lezers, die deze nummers zouden willen afstaan, anderen ten gerieve. Wij doen hierbij een beroep op hun welwillendheid".

Met mijn eerste vondst in de hand snuffelde ik wat verder in de bakken met diverse folders en brochures.
Ook daar had ik geluk!
Al snel kwam ik twee interessante publicaties tegen voor mijn Twitter project "50 Bizarre Brochures" (dat zullen er ondertussen wel meer zijn!).
De grote verrassing volgde tot slot. Een brochure in een blinde geel papieren omslag...

Nieuwsgierig bladerde ik er wat doorheen en zag dat het geen titelpagina had maar voornamelijk bestond uit wat bijlagen (A t/m E).
De eerste elf bladzijden vormen een soort inleiding en de auteur valt meteen met de deur in huis:
"Maandag 18 Februari 1884 hebben twee Heeren op mijn verzoek het volgende den Kapitein ter zee E.L. Baron van Heeckeren van Waliën doen weten:
'De heer Stratenus van Voshol verklaart, dat hij eerst na ernstig nadenken en slechts na het lezen van het proces verbaal der zitting van den Raad van Eer op Zondag 17 Februari, de provocatie van Baron van Heeckeren van Waliën heeft aangenomen. Dat hij zich het recht voorbehouden heeft, om zowel voor als na het duel de stukken te publiceren, waaruit ten duidelijkste blijkt, dat de Kapitein ter zee Baron van Heeckeren van Waliën is een eerlooze woordbreker en een leugenaar en derhalve onwaardig den rang te bekleeden, dien Baron van Heeckeren van Waliën in de Maatschappij inneemt'".

De inleiding is getekend: STRATENUS VAN VOSHOL en direct daaronder staat:
"Dit stuk is voor den aanvang van het duel naar de post gebracht"!

Nee maar, een duel, hoe romantisch en wat bizar!


Thuisgekomen begon ik eerst met het zoeken naar andere exemplaren. Ik vond via WorldCat een exemplaar in de Utrechtse Universiteitsbibliotheek en via Google nog twee exemplaren in familie-archieven.
De brochure, feitelijk niet meer dan een particulier gedrukt bundeltje verklaringen en vergaderverslagen, wordt antiquarisch nergens aangeboden (en de kans dat dit ooit zal gebeuren lijkt mij onwaarschijnlijk klein...)

Toen ik mij in de stukken begon te verdiepen kwam ik al gauw tot de ontdekking dat de gebeurtenissen destijds ook de krant hadden gehaald. Niet als een negentiende eeuws drama maar meer als een aristocratische klucht.

Het begon allemaal als een meningsverschil over een speelschuld tussen twee respectabele leden van de chique sociëteit 'Sic Semper' in Utrecht.
De man op het portret hier links, L.W.A.G.M. Stratenus van Voshol (1848-1896), rijk door zijn vrouw, en de wat minder bemiddelde commies der posterijen J. van Nahuijs hadden op een zomerse avond (6 juni 1883) verschillende potjes écarté gespeeld. Ze waren gezellig met zijn tweeën, bedienden noch vrienden waren er bij aanwezig.
Of ze bij hun spel een glaasje te veel hadden gedronken vermeldt de geschiedenis niet maar feit is dat Van Nahuijs zich later pertinent herinnerde dat hij die avond vijftienduizend gulden had gewonnen terwijl Stratenus van Voshol in de veronderstelling verkeerde nog vierduizend achthonderd gulden van Nahuijs te krijgen! Wie van de twee was nu de schurk?


De zaak werd voorgelegd aan de Raad van Eer van de sociëteit waarin ook kapitein ter zee E.L. Baron van Heeckeren van Waliën (1833-1891) zitting had. Die was zo pertinent overtuigd van de onschuld van Van Nahuijs dat hij, nog voordat de Raad zich er over had gebogen, een privébezoek bracht aan Stratenus van Voshol.
Daar vertelde hij hoe radeloos Van Nahuijs was. Die zou zich nooit houden aan een voor hem ongunstig uitspraak en alles uit de kast trekken om Stratenus van Voshol te beschadigen. De Baron verklaarde voorts dat de vergissing onmogelijk kon liggen bij Van Nahuijs. Die had immers in de koets op weg naar huis een korte notitie gemaakt van de openstaande schuld. Als Stratenus van Voshol nou maar toegaf en betaalde dan zouden de heren hem wel de hand boven het hoofd houden.
"Toe, Stratenus, denk er nog eens over. Ik vind het zoo verschrikkelijk; waarlijk, je weet niet wat je boven je hoofd hangt. Je arme ouders, voor wie ik zulk eene achting heb; je lieve vrouw, die nog zoo jong is; denk er nog eens over". Tevergeefs!
"Hoe is het mogelijk, gij in gemoede overtuigd kunt zijn, ik om een ongelukkige 15.000 gulden mijn eer en naam in de waagschaal zoude gesteld hebben. Neen, duizendmaal neen, ware ik ze werkelijk schuldig, liever het dubbele betaald dan mijn naam in zulk eene vuile geschiedenis te zien genoemd".

Even te uwer informatie. Een stoker op een dieselgemaal verdiende toen één gulden vijftig per dag! Omgerekend in koopkracht is die vijftienduizend gulden van toen nu meer dan €187.000,- euro! Voorwaar, de eer van een heer was toen nog wat waard!

Enfin, de Raad van Eer kwam op 30 januari 1884 bijeen, zonder de Baron van Heeckeren van Waliën, die was uitgetreden om alle schijn van partijdigheid te vermijden. Hoe dan ook het resultaat was voor alle partijen uiterst onbevredigend.
De Raad van Eer vond de argumenten van Stratenus van Voshol sterker en was van mening dat "de heer Van Nahuijs in zijne correspondentie niet altijd even nauwkeurig en begrijpelijk" was, en "dat zijne houding èn tegenover zijne wederpartij èn tegenover ons niet altijd even correct, dat zijne loyaliteit in 't algemeen niet altijd geheel boven alle verdenking is geweest, dat zijne nauwkeurigheid in het vermelden der feiten soms te wenschen overliet". Desondanks verklaarde men zich buiten machte om een besliste uitspraak te doen. Kortom; men dorst zijn vingers er niet aan te branden.
Einde verhaal denkt u nu.

Maar nee, als een donderslag bij heldere hemel verscheen tien dagen later een publicatie van de Baron getiteld: "Een woord naar aanleiding der uitspraak van den Raad van Eer in zake de Heeren L.W.A.G.M. Stratenus van Voshol en J. van Nahuijs gehouden in de Societeit 'Sic Semper' den 30 Januari 1884". Daarin ging hij in op de uitspraak, gaf zijn mening en zienswijze op verschillende punten en bleef bij zijn overtuiging. De affaire lag op straat en het klootjesvolk smulde! De Baron zou er al gauw spijt van krijgen...

Op 15 februari 1884 komt de Raad van Eer wederom bijeen. Men is op zijn zachtst gezegd niet blij met de openbare toelichting van de Baron! Die verklaart daarop dat hij de Raad van Eer niet verdenkt van enige partijdigheid en dat hij desgewenst bereid is om dat schriftelijk vast te leggen. Zo geschiedt.
Ook Stratenus van Voshol is in de vergadering aanwezig en die legt een explosieve verklaring af!
Een eerder door hem gedane bewering ten nadele van Van Nahuijs over diens talrijke schulden en geldnood wordt inmiddels ondersteund door een betrouwbare verklaring ontvangen van ene jonkheer X.
Die bevestigt dat zijn kleinkind op school het elfjarig zoontje van de Baron (!) tegen één van zijn schoolkameraadjes heeft horen vertellen dat ... zo bedroefd was dat hij het geld niet aan Van Nahuijs had betaald omdat ... er zevenduizend gulden van zou hebben gekregen!
Algemene verbijstering!
Het privébezoek van de Baron aan Stratenus van Voshol, ja, diens hele verdere handelswijze in de speelschuld affaire kwamen hiermee in een bijzonder en obscuur daglicht te staan!
De Baron, waarschijnlijk enigszins rood aangelopen, verklaart daarop terstond dat hij zijn geschrift niet zou hebben geschreven en uitgegeven als hij eerder op de hoogte was geweest van deze nieuwe informatie.
Een eclatante overwinning voor Stratenus van Voshol, nietwaar?
Ja, die dacht dat toen ook, maar hij interpreteerde de verklaring anders en vertelde verschillende personen dat de Baron aan hem zijn excuses had gemaakt...

De volgende dag is Stratenus van Voshol weer present op de sociëteit 'Sic Semper'. Ditmaal speelt hij een leuk partijtje whist met de heer R. van Dam (lid van de Raad van Eer). Terwijl beide heren zich verdiepen in hun spel komt plotseling de Baron binnenlopen en zegt:
"Mijnheer Stratenus, je bent een leugenaar, je hebt gezegd, dat ik excuses gemaakt had, daar is geen woord van waar. Je bent een gemeene leugenaar. Ik heb gisteren alles teruggenomen, om den naam te sauveeren van iemand die mij lief en dierbaar is. En nu zeg ik je ook, dat jij schuldig zijt en Nahuijs onschuldig is. En nu kan je er van krijgen, wat je er van hebben wilt. Ik laat mij hier schrappen, want op eene Sociëteit, waar dergelijke menschen getolereerd worden als u, bedank ik te komen".
Schandaal compleet!


Op 17 februari komt de Raad van Eer bij elkaar.
Tussen de Baron en Stratenus van Voshol komt het niet meer goed, beiden volharden in hun standpunten en herinneren zich hun privégesprek anders. Had Stratenus van Voshol toen wel of niet gezegd over het compromis van de Baron te zullen nadenken? Had de laatste hem toen wel of niet voor een man van eer gehouden en hem als bewijs daarvan de hand geschud?
De vergadering wil zich er (wederom) niet aan branden en de Raad van Eer besluit het verhaal laconiek met de opmerking dat zij haar taak om tot een uitspraak te komen in het geschil tussen Van Nahuijs en Stratenus van Voshol als beëindigd beschouwt.
Zoals u al wist is daarmee de kous niet af. Stratenus van Voshol eist genoegdoening.


Op maandag 3 maart troffen de heren zich, netjes gekleed en vergezeld door hun secondanten, in de bosrijke omgeving bij de pleisterplaats Huis ter Heide aan de Amersfoortse straatweg.
Jasjes werden uitgetrokken, pistolen overhandigd en partijen namen hun positie in; ruggelings op vijftien passen afstand van elkaar. Zweetdruppeltjes glinsterden in de zon...
Een droog commando klonk; 'één, twee, drie...'.
Beiden draaiden zich gelijktijdig om en vuurden. Luide schoten weerklonken door de verstilde natuur...
Vogels vlogen verschrikt op en nieuwsgierigen snelden toe. Welk drama, welk bloedbad voltrok zich daar?

Geen!

Duelleren was sinds 1881 in Nederland verboden. De etiquette, die deze mannen van eer hoog in het vaandel hielden, maakten het vloeien van bloed onmogelijk.
Neen, beiden schoten voor de vorm en beiden schoten expres mis!
Een Nederlands Wellington-Winchilsea duel in optima forma, maar hun eer was gered!

En Van Nahuijs? Die kreeg vijf dagen na het duel eervol ontslag en verdween uit beeld.


Nasmullen?
Lees het onderstaande artikel (van 9 maart 1884) in de Nieuwe Tilburgsche Courant  of het komisch ironische stuk in de 'De Groene Amsterdammer' van 9 maart 1884.

vrijdag 15 september 2017

Zelf dokteren; de volgende stap...

In mei 2013 schreef ik "Zelf dokteren" dat zich, volgens mijn blogstatistieken, nog steeds mag verheugen in een grote populariteit.
Zoals bekend komen niet alle oude boekjes en brochures ongeschonden tot mij (of tot u!).
Elke nieuwe aanwinst wordt thuis eerst gecontroleerd op scheuren, vlekken en andere kleine eenvoudige defecten die ik vervolgens zelf herstel. Met de simpele tips die ik destijds gaf in "Zelf dokteren" kan iedere leek die handig is zonder risico's aan de slag.

Ik klungel niet graag aan oude boeken en daarom moet bij de aanschaf altijd de kwaliteit leidend zijn en niet de vraagprijs. Anders gezegd; ik betaal liever wat meer voor een goed exemplaar dan heel weinig voor hetzelfde boek met talrijke defecten.
Mijn volgende stap in het 'zelf dokteren' liet ik over aan het toeval en dat confronteerde mij een paar weken geleden met een nieuwe aanwinst waarvan de boekband uit elkaar lag. Nu werd me duidelijk wat mijn volgende stap zou zijn. Ik zou voor het eerst proberen een boekbandje compleet te renoveren. Hieronder beschrijf ik mijn werkwijze.
Doe er uw voordeel mee... of niet!

De uitgave waar het om gaat is vrij zeldzaam maar kostte me nog geen veertig euro.
De titel is: "Liefdadigheid te Amsterdam. Overzigt van al hetgeen er in Amsterdam wordt verrigt ter bevordering van de stoffelijke, zedelijke en godsdienstige belangen, voornamelijk der minvermogenden en behoeftigen. Uit echte bronnen bijeengebragt door N.S. Calisch". (Amsterdam, 1851). Nathan Salomon Calisch (1819-1891) was een onderwijzer en journalist die verschillende lexicografische werken uitgaf.
Wie het dagelijks leven van de onderste bevolkingslagen in de hoofdstad in de eerste helft van de negentiende eeuw goed wil leren kennen (van de 225.000 inwoners in Amsterdam in 1850 waren er ruim 60.000 afhankelijk van bedeling!) is Calisch boek een ware 'fundgrube'.
Hij geeft een gedetailleerd, vaak historisch, overzicht van honderden particuliere en gemeentelijke (liefdadigheids)instellingen. Vele hadden een vroeg negentiende eeuwse oorsprong, andere waren toen Calisch zijn boek schreef nog maar net begonnen. Het merendeel is inmiddels uit het collectief geheugen verdwenen. Zijn publicatie bevat behalve een titelillustratie (het Nieuwe Werkhuis, thans dr. Sarphatihuis in de Roeterstraat 2 te Amsterdam) diverse tabellen waarvan enkelen uitslaande.

In de 'Vaderlandsche Letteroefeningen' van 1852 verscheen een bespreking van zijn uitgave waaruit blijkt dat het boekje destijds vierenhalve gulden kostte, een niet gering bedrag als we bedenken dat bijvoorbeeld een metselaar toen ongeveer één gulden twintig per dag verdiende!
Een bibliotheekstempel op de titelpagina verraadt dat mijn exemplaar een doublet (dubbel exemplaar) is uit de 'Bibliotheek Amsterdam'. Het boekje werd gebonden in een eenvoudige negentiende eeuwse halflinnen band met grauwgrijze kartonnen platten.

De rug van de band zit vast(geplakt) op het nog stevige boekblok. Opnieuw inbinden, een vak apart, is dus niet nodig. Het voorplat is losgekomen van de rug en het achterplat zit nog net vast met twee touwtjes.
Ik besloot om het voor- en achterplat met een strook lichtbruin boeklinnen over de oude halflinnen rug geplakt vast te zetten en daarna beiden kartonnen platten aan de buitenzijde met origineel negentiende eeuws marmer te beplakken. Vervolgens zou ik aan de binnenzijde de strook omgeslagen linnen van de rug en de rand sierpapier van de platten wegwerken door een nieuw zuurvrij blad papier te plakken op de 'paste-down endpaper' (het gele blad links dat vast zit op de binnenzijde van de platten) en het gele blad rechts, de 'free endpaper', die komt voor de eerste 'Franse' titelpagina).
Op die manier wordt meteen de aansluiting van de platten op het boekblok aan de binnenzijde hersteld. Tot slot zou ik de hoeken van de platten met linnen te bekleden.

Een professioneel boekbinder en restaurator die ik raadpleegde over mijn voorgenomen handelwijze schreef mij: "Als het mijn boek zou zijn zou ik geen sierpapier op de platten plakken. Verder zou ik afhankelijk van het gebruik (weinig of veel) van dit boek de voor- en achterplatverbinding herstellen met dik Japans papier of parachutelinnen. Dit is beide sterk en dun. Ikzelf zou de oude rug laten zitten. Een inkeping maken onder de vastzittende rug en in het plat (met een scherpe scalpel) en dan in die inkeping een stukje verbindingsmateriaal lijmen. Je behoudt dan dus de originele kaft. De buitenkant van de kneep moet je dan sluitend maken met op kleur gemaakt Japans papier".
Zijn oplossing is professioneler en streeft naar het zoveel mogelijk behouden van de originele band en het oorspronkelijke karakter van het boek. Voor 'dokterende' amateurs op dit gebied (en daartoe reken ik mijzelf) lijkt het mij echter een stuk moeilijker uitvoerbaar dan wat mij voor ogen stond. Toegegeven; mijn werkwijze gaat meer de kant op van een 'nieuwe' band, ook al gebruik ik oud marmer, en daarom praat ik ook liever over renoveren en niet over restaureren! 

Mijn eerste stap was materiaal halen bij de firma Vlieger in Amsterdam. Ik kocht daar wat zuurvrij papier voor het herstel van de binnenkant en twee kleuren boekbinders-linnen (wordt verkocht per halve meter) voor de rug. Totaal was ik ongeveer zestien euro kwijt.
U zit hier welke materialen en gereedschap ik gebruikte.

Ik begon met het verlijmen van een strook boekbinderslinnen van 30 cm. bij 9 cm. over de oude rug (en ter weerszijde ca. 2.5 cm. over de platten) en liet dat twee uur drogen. Het boekje is maar 20 cm hoog, maar de flappen aan de boven- en onderkant werden nadat ze waren ingeknipt teruggeslagen naar de binnenzijde en met boekbinderslijm vastgezet op de binnenzijde van de platten. Ook in het midden zorgde ik ervoor dat het strookje iets uitstak boven het oorspronkelijke bandje want ook daar wilde ik het linnen over de oorspronkelijke rug terugslaan, zodat er uiteindelijk niets meer zichtbaar is van de oude rug.

Vervolgens smeerde ik het voor en achterplat in met boekbindersstijfsel (Let op! Boekbinderslijm laat zich vrijwel niet meer corrigeren! Bij boekbindersstijfsel is het loshalen en verschuiven veel makkelijker) en beplakte ik beiden met origineel negentiende eeuws handmarmer. Daarna liet ik dat even een uurtje drogen.

De volgende stap was het handmarmer om de platten terugslaan en de strook aan de binnenzijde vast zetten met boekbindersstijfsel. Drogen... Vervolgens plakte ik aan de buitenzijde op het voor en achterplat (schuin) op elke hoek een stukje boekbinderslinnen van 4 cm. bij 4 cm.


Ik knipte er hoekjes uit en sloeg de driehoekige flapjes terug naar binnen om ze vast te zetten met boekbinderslijm.
Daarna plakte ik het kleine strookje boven- en onderaan de rug vast. Voor het aandrukken is een vouwbeentje erg handig! De buitenkant is nu vrijwel klaar!

Aan de binnenzijde van de platten wil ik de zichtbare restanten boekbinderslinnen van de rug en het handmarmer van de platten bedekken met een vel papier dat ik over het oorspronkelijke gele papier ('paste-down endpaper' en 'free endpaper') plak met boekbindersstijfsel. Daarmee verstevig ik meteen de aansluiting van de platten op het boekblok aan de binnenzijde. Ik had daarvoor twee stroken nodig van 19.5 cm. hoog en ongeveer 24.5 cm. lang. Eerst sausde ik het plat en de 'free endpaper' in met boekbindersstijfsel.

Hierna plakte ik de strook eerst op het plat! Mocht de strook wat te lang of te kort zijn dan kun je de 'free endpaper' altijd nog op maat bijknippen!
Het meeste werk is nu gedaan. Het boek voelt vochtig aan en om het kromtrekken van de platten te voorkomen stapelde ik er tot slot wat boeken op uit mijn bibliotheek om het op de huiskamertafel onder druk langdurig te laten drogen. Zo af en toe controleerde ik even of er geen bladen aan elkaar plakten.

Er ontbreekt nog één afwerkpuntje, een titelschildje.
Ik knipte uit het grote vel dat ik voor de binnenzijde gebruikte een A4-tje. Vervolgens oefende ik op normaal papier wat met diverse lettertypen. Eenmaal tevreden drukte ik af op mijn zelf geknipte vel en plakte het titelschildje op de rug. Klaar! Het boek moet nu de komende paar dagen onder druk even goed uitdrogen. Ik zette het klem in een rijtje boeken in mijn bibliotheek.

En? Wat vinden jullie van het resultaat? Ik ben in ieder geval heel tevreden.
Algemene tip; werk geduldig en werk schoon!


vrijdag 1 september 2017

Saartje Wip en de Stadsreiniging


Op de laatste boekenmarkt langs de Amstel van dit jaar georganiseerd door De Kan kocht ik de: "Jubileum Uitgave ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van den dienst onder gemeentelijk beheer. 1877 October 1927" (Amsterdam, 1927). Een zeer zeldzame brochure van de Stadsreiniging Amsterdam die een overdruk is van 'De Amsterdamsche Gids' (Jrg. 3, 1927, nr. 4, 'jubileum-nummer stadsreiniging'). Ik ken slechts één ander exemplaar in de collectie van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG).

Zoals mijn trouwe lezers weten is Perkamentus bijzonder geïnteresseerd in folder- en brochuremateriaal over krotten, sloppen, armoede, en daaraan gerelateerde zaken als drankmisbruik, bedelarij, prostitutie, fecaliën & vuilverwerking etc. Toen ik er twee tientjes voor neerlegde maakte de verkoper de opmerking dat de omslag wel eens het werk zou kunnen zijn van Fré Cohen (1903-1943).

Zijn opmerking verraste me want mijn aandacht ging op dat moment vooral uit naar het onderwerp en de inhoud en minder naar de vormgeving. Helaas is de omslag niet gesigneerd (u ziet, er staat alleen: 'Stadsdrukkerij').
Het rode kader op de voor- en achterzijde doen wel wat aan haar werk denken maar dergelijke strakke lijnpatronen werden ook al toegepast door Anton Kurvers (1889-1940) die sinds 1918 werkzaam was voor de gemeente Amsterdam.

Ook al is haar betrokkenheid niet aantoonbaar, feit is dat Fré Cohen, terwijl ze nog studeerde aan de Amsterdamsche Kunstnijverheidsschool, vanaf 1926 sporadisch losse opdrachten kreeg van de Stadsdrukkerij Amsterdam.
Officieel zou ze daar pas op 1 september 1929, parttime, in dienst treden. Haar bedrijvige en energieke optreden bezorgden deze 'sierkunstenares' al gauw de bijnaam 'Saartje Wip'.
Ik heb overigens al eens eerder geschreven over Fré Cohen, die voor de Tweede Wereldoorlog smaakvolle typografische ontwerpen maakte, maar dit terzijde.

Er is nog een reden waarom de opmerking van de verkoper mij verraste en dat is omdat ik me plots realiseerde dat ik enkele bijzondere items in mijn collectie heb die alles te maken hebben met haar en de Stadsreiniging Amsterdam.
Het gaat om een serie (ansicht)kaarten (ca, 14,5 cm. x 9 cm.)  in een mapje met als opdruk een gesigneerde (FC) linosnede. De afbeelding op het mapje toont een staande afvalbak van de Stadsreiniging Amsterdam (SR) met daarboven een halve getande cirkel, (rechtsonder) drie Sint-Andrieskruizen (uit het Amsterdamse gemeentewapen) en de tekst: "Reinheid bovenal! Aangeboden door de Stadsreiniging te Amsterdam" (Amsterdam, 1931). Op de binnenflap van de omslag staat:
"Gedrukt ter Stadsdrukkerij Amsterdam - Ontwerp Fré Cohen. Serie... (A of B)".

De mapjes verschenen destijds in drie kleuren; rood, blauw en groen. Van de drie kleuren is de groene serie het meest zeldzaam.
Elk mapje bevat zes ongenummerde kaarten in één kleur met op de voorzijde zes verschillende afbeeldingen, waaronder korte tekstjes staan in eindrijm. Totaal zijn er echter twaalf afbeeldingen verdeeld in een A - en een B serie. Van elke kleur bestaan twee mapjes, één met de A serie en een ander met serie B!
Op de achterzijde van de kaarten staan wat lijnen met de woorden 'Briefkaart', 'Afzender' en verticaal 'Stadsreiniging Amsterdam'.

Bij de A serie gaat het om de volgende kaarten:
- Het spelen op een vuilnisschuit, dat is voortaan toch zeker uit?
- Zeg jongen wil je 't wel eens laten, dat schoppen tegen vuilnisvaten?
- Van 'n frisse koude straal houden de jongens allemaal, maar menigeen die 't duur bekoopt, doordat hy onder d'auto loopt.
- Er was eens 'n mannetje (t was niet wys), dat bouwde zyn huisje al op het ys, maar de stad is er minder op gesteld, dat men bouwt op het ys een vuilnisbelt.
- Voor orde en netheid zul je zien, geeft de S.R. ze elk een tien.
- Een vruchtenschil heeft onverwacht reeds menigeen ten val gebracht.

Bij de B serie zijn het:
- Buiten eten is gezond, maar... geen afval op den grond!
- Men houd' zyn kaartje in de hand, tot aan de naaste vuilnismand.
- Zoo'n strooibiljet ontsiert de straat, terwyl het verder niemand baat!
- De mooie grachten onze stad, gebruik ze niet als vuilnisvat!
- Pas op als 't weer gebeurt! Je wordt direct bekeurd.
- Een hond is een dier, dat in vuilnis wel wroet, maar.. hoe vind je een jongen, die zoo iets doet?

Ondanks de vrij aanzienlijke oplage worden ze antiquarisch zelden aangeboden, zeker als compleet setje in het oorspronkelijke mapje.
Zelf bezit ik drie complete mapjes, één groen (serie B), één rood (serie B) en één blauw (serie A). Alle drie in een uitstekende conditie.


Uiteraard worden de ansichtkaarten genoemd in het overzicht van haar oeuvre opgenomen in het tentoonstellingsboekje: "Rond Paasheuvel en Prinsenhof" (Amsterdam, 1977) en het overzichtswerk: "Fré Cohen (1903-1943). Leven en werk van een bewogen kunstenares" (Abcoude, 1993).
Wonderlijk genoeg noemen beiden als verschijningsjaar 1935 en dat is - zo constateer ik - door menige verzamelaar en collectiebeheerder klakkeloos overgenomen...


Ze zijn echter al vier jaar eerder verschenen, in 1931, ter gelegenheid van het in gebruik nemen van de nieuwe staande afvalbakken van de Stadsreiniging Amsterdam ontworpen door P.L. Marnette (1888-1948). In een kort bericht in de krant 'Het Vaderland' van 18 juli 1931 wordt medegedeeld dat de kaarten die zomer gratis werden verspreid onder de leerlingen van de hoogste klassen der lagere scholen te Amsterdam: "tot bevordering van den algemeenen reinheidstoestand der straten en grachten van de stad". Een jaar later, in de zomer van 1932, vinden we een artikel in het 'Algemeen Handelsblad' waarbij als illustratie één van de kaarten is afgebeeld. Wat betreft de korte tekstjes onder de afbeeldingen weten de auteurs van het eerdergenoemde overzichtswerk te melden dat deze mogelijk zijn geschreven door Clinge Doornbos (1884-1978).

De ansichtkaarten van Fré Cohen ontworpen voor de Stadsreiniging Amsterdam zijn van een tijdloze schoonheid. Nog steeds zijn er enkele voorbeelden als modern drukwerk te koop bij Art Unlimited.com.
Han Boering (1943-2015), I Tjing kenner en graficus uit Alkmaar, maakte er in de jaren negentig een zeefdruk van met negen kaarten in rood (verschenen bij uitgeverij Tuindorp in Haarlem) en bij de verschijning van eerdergenoemd overzichtswerk in 1993 ontwierp Jeroen de Vries een affiche voor de gelijknamige tentoonstelling in het Amsterdams Historisch Museum met daarop negen kaarten in blauw.


Vrijwel onbekend is dat er van de afbeeldingen ook vellen schoolschrift-etiketten zijn gemaakt (30 cm. x 21.1 cm.). Het papier is heel dun en de etiketjes (10.55 cm. x 7.5 cm.) zijn voorgestanst. Ik bezit sinds kort zo'n uiterst zeldzaam vel met acht verschillende voorstellingen gedrukt in een bruintint. Waarschijnlijk waren er ook vellen in andere kleuren. Deze schoolschrift-etiketten worden niet genoemd in de aangehaalde oeuvre overzichten. Dat is wel het geval met een vergelijkbare opdracht voor schoolschrift-etiketten van de Commissie voor het Onderwijs uit 1930. Ook daar gaat het om acht afbeeldingen op een vel in groen, bruin, rood of blauw, met als thema 'Veilig Verkeer' (oplage 1 miljoen stuks!).

vrijdag 18 augustus 2017

Post uit het verleden

Het zal de meeste van mijn lezers wel eens zijn overkomen.
U koopt een leuk boekje ergens in een antiquariaat, op de boekenmarkt of in de kringloop en thuisgekomen ontdekt u tussen de pagina's verstopt 'iets' dat een vorige eigenaar heeft vergeten.
Dat 'iets' had vaak de functie van boekenlegger maar kan van alles zijn. Een vergeten bankbiljet, toegangskaartje, ansichtkaart, brief of gedroogde bloemen en bladeren worden regelmatig tussen de bladzijden teruggevonden. Vergeten plakken salami en kaas ben ik persoonlijk nog niet tegengekomen maar anderen wel en onlangs las ik nog over de vondst van een ganzenveer achtergelaten door de schrijver in een middeleeuws manuscript.


Een aardig boekje hierover (ik heb het zelf niet) lijkt mij Michael Popek's: "Forgotten Bookmarks - A Bookseller's Collection of Odd Things Lost Between the Pages" (New York, 2011).
Van dezelfde auteur bestaat overigens ook een culinaire variant op dit thema: "Handwritten Recipes - A Bookseller's Collection of Curious and Wonderful Recipes Forgotten Between the Pages" (New York, 2012)!
Kopen?
U kunt ook op de link in een van bovengenoemde titels klikken, dan komt u op het gelijknamige blog terecht waar u uw hart kunt ophalen.
Daarnaast zijn er voor liefhebbers van 'things found in books' diverse voorbeelden te vinden bij 'Found in Books'.

In mijn kringloopwinkel vond ik laatst: "Leven en werk van Dirk Volckertsz Coornhert" (Amsterdam, 1978). Een net exemplaar met stofomslag geschreven door dr. Hendrik Bonger (1911-1999). In het NRC Handelsblad van 20 oktober 1978 verscheen een lovende kritiek op deze uitgave en de biografie won de dr. Wijnaendts Francken-prijs 1979 van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde.


Voor twee euro vijftig werd ik de nieuwe eigenaar. Ik hou wel van biografieën over interessante historische figuren en Coornhert behoort daar zeker toe. Er was echter nog een reden die mij over de streep trok.
Toen ik het boek doorbladerde trof ik tot mijn verrassing een nieuwe witte envelop aan die als bladwijzer tussen twee bladzijden was gestoken. Er was met een ballpoint op geschreven: "Brief van H. Bonger aan S. Goudeket en M. Goudeket-Philips".


Ik heb wel vaker post uit het verleden (die niet aan mij was geadresseerd) ontvangen. Meestal zijn het kaartjes, briefjes en kattebelletjes van onbekende personen maar een enkele keer gaat het om de sporen van 'BN'ers uit de vaderlandse historie'.
Eerdere vondsten heb ik beschreven in: "Ephemera uit vak U7" en: "Uit mijn bakken".
Mijn (voor)laatste vondst, een aantal maanden geleden, zat in een brochure die ik bij Jos Albers op het Waterlooplein kocht. Het gaat om een lidmaatschapskaart uit 1932 van de "Nederlandsche Centrale Vereeniging tot bestrijding der tuberculose" die toebehoorde aan de Nederlandse Nobelprijswinnaar Pieter Zeeman (1865-1943).


Natuurlijk had ik in de kringloop Bonger's brief (die aanmerkelijk ouder was dan de envelop in eerste instantie deed vermoeden!) vluchtig bekeken maar thuisgekomen las ik deze nogmaals aandachtig door.


Hendrik Bonger schreef de brief tijdens zijn verblijf in Dennenheuvel, een villa aan de Arnhemseweg tussen Apeldoorn en Beekbergen, ooit gebouwd voor de koopman J. ten Sijthoff. Het huis heeft na het overlijden van de eigenaar nog enige tijd dienst gedaan als pension voor ouderen maar is rond 1970 gesloopt en verdwenen.



De brief is gedateerd zestien juli 1944, ruim een maand na D-Day, en gericht aan (volgens het handschrift op de envelop) de destijds ondergedoken Sam Goudeket (1886-1979), gehuwd met Marianne Goudeket-Philips (1886-1951). De volledige tekst luidt:

"Adres:   J. ten Sijthoff                                                               Beekbergen, 16-7-44
               Dennenheuvel
               Beekbergen

Beste vrienden, 
Misschien herinneren jullie je nog vaag het bestaan van ondergetekende en zijn vrouw.
Het moet later maar eens allemaal mondeling bepraat worden wat we gedaan hebben en wat onze lotgevallen zijn geweest. Erg thrilling zijn de onze niet. We zijn meestal hier in 'Dennenheuvel', Beekbergen, waar we een eigen kamer hebben; we werken soms maanden op een boerderij, dan weer maanden aan de dissertatie die ik zo graag af wou hebben vóór de bevrijding, maar wat wel niet zal lukken, hoewel ik flink opschiet. 
Dan doen we samen veel waarover later ook eens mondeling, in vrede en vriendschap vereend in Amsterdam of op Wieringen of ergens waar wij zullen kunnen. 
We poetsen al onze oude ideeën en waarden weer op, halen ze uit de grond en de kast om ze gauw weer bij de hand te hebben; we zijn niet veranderd, alleen wat minder optimistisch, minder humanistisch, minder anti-militaristisch, maar verder wel 'op de oude voet voortgaand'; of jij weleerwaarde mijn ziel nog zal moeten verzorgen op de slagvelden van Java of Sumatra, dat weet ik niet, maar ik geef met toch maar op als het zo ver is; altijd praten en ideeën en niets doen dat is het ergste geweest van deze vier jaar.
Misschien willen ze me niet, maar dat moeten de Heren maar uitmaken.
Heel vaak denken we aan mijn jaargenoot en haar man. Hoe zouden ze het maken? 
Ik hoorde dat ze wel eens post ontvingen en vandaar de envelop in deze brief. Van To hoorde ik dat ik maar zo moest doen. 
Voor de winter is het uit met het gestoei in de wereld, of denken jullie van niet? Wij rekenen er maar op. Willen jullie eens wat laten horen, hoe het leven in de pastorie gaat en van allerlei?
Heel veel groeten en bedankt voor de dienst, en het allerbeste met jullie. Van Henk en Toot B.".

Normaal gesproken lees ik andermans post niet en is het ook niet netjes die openbaar te maken.
In dit geval echter zijn de hoofdpersonen overleden en vind ik de inhoud een aardige aanvulling op Bongers biografie die terug te vinden is op de website van de Digitale bibliotheek der Nederlandse letteren (DBNL). Mee eens?

vrijdag 4 augustus 2017

Over mijn bibliotheek, vijf jaar later...

Vijf jaar geleden, in oktober 2012, schreef ik "Over mijn bibliotheek".
Sindsdien verschenen 130 stukjes op dit blog met wisselend succes. Het verhaaltje over mijn bibliotheek behoort, als ik mijn statistieken mag geloven, tot de succesvolste en wordt nog steeds regelmatig gelezen. Er is sindsdien wel wat veranderd en daarom is het tijd voor een update.

'Toon mij uw boekenkast(en) en ik zeg wie u bent' is kennelijk een populair onderwerp.
Ik geef toe dat ik zelf ook graag lees over andermans boekenkasten c.q. bibliotheek maar zelden ben ik onder de indruk.
Neem bijvoorbeeld "De boekenkast van", van Erwin Reijers, waarin de kast(en) van tal van bekende Nederlanders (en Belgen) de revue passeren en onder de loep worden genomen. Al dan niet terecht zullen de aanblik en inhoud daarvan voor de meeste beschouwers en lezers niet alleen een indicatie zijn voor de belezenheid van de geportretteerde maar ook voor diens intellectuele - en culturele beschavingsniveau.
Jammer genoeg is het voor mij vaak de bevestiging van het feit dat de meeste BN'ers (en BB'ers), net als de meeste boekenliefhebbers geen bibliofiel zijn maar gewoon (veel)lezers. Kortom geen fraai gebonden bandjes en bijzondere boeken met een interessante geschiedenis maar een hoog gehalte aan pockets en andere in grote oplagen goedkoop gefabriceerde Nederlandse en buitenlandse pulp lectuur.
Zelfs de boekenplanken van Koning Willem Alexander getuigen van een weinig bijzondere of verfijnde smaak (en niet alleen naar mijn mening).

Toen ik vijf jaar geleden voor het eerst over mijn bibliotheek schreef zaten mijn zes Ikea Billy boekenkasten prop- en overvol. Twee jaar en vele boeken later was daarin nog steeds geen verandering gekomen zoals u kunt lezen in: "De derde stapel, een affaire...". Wachten tot het echt niet meer gaat zoals in 2011 herhaalde zich in 2017.
Het zag er dus "Vol!" uit en leidde vaak tot de conclusie dat er "Geen plek!" meer was, anders dan op één van de boekenstapels. Menigmaal verzuchtte ik dat de juiste boekenkasten moeilijker verkrijgbaar waren dan de boeken maar begin dit jaar kon ik eindelijk via Marktplaats twee kasten tegelijk kopen die bovendien bij mij werden langs gebracht (want ik beschik zelf niet meer over een auto).
Ik kan nu weer ademhalen al is het maar voor (heel) even want de kasten die ik kocht zijn meteen gevuld met de stapels die zich in mijn kleine studeerkamertje hadden gevormd en de talloze boeken die op en in de kasten (liggend op de rijen) lagen te wachten op de komst van nieuwe boekenkasten.

Hoe is de situatie hier nu?
Allereerst heb ik de opstelling van de kasten in de huiskamer veranderd. Voorheen stonden alle kasten met hun rug tegen de muur maar nu heb ik zes kasten met hun rug tegen elkaar gezet en één tegen de trapkast wand. Gelukkig is onze woonkamer breed en lang genoeg (de zeven kasten vallen nauwelijks op als je binnenkomt) en deze opstelling geeft mij een echt bibliotheekgevoel! Eventuele uitbreiding is nog mogelijk door het plaatsen van drie smalle kasten tegen de zijkant van de drie dubbele kasten. Natuurlijk is het niet de vraag of dat gaat gebeuren maar wanneer dat gaat gebeuren...

Mijn huiskamerbibliotheek bevat nu vooral seriewerken, (auto)biografieën, Limburgensia, genealogie, algemene(vaderlandse) geschiedenis en tal van andere onderwerpen (tabak & roken, dood & begraafplaatsen, erotiek, Egyptische, Griekse en Romeinse geschiedenis, bijzondere woordenboeken etc.). Het overgrote deel is non-fictie met hier en daar wat luchtige uitzonderingen zoals rijtjes Eco, Dekkers, Haasse en wat Mak.
De meeste kringloopvondsten vinden uiteindelijk hier een plek.


Mijn studeerkamerbibliotheek is niet veranderd wat betreft de kastopstelling. Wel heb ik door de komst van extra kastruimte beneden de onderwerpskeuze boven kunnen aanscherpen. De drie kasten bevatten nu uitsluitend 'boeken over boeken' (ruim negen meter), Amstelland & Amsterdam (drie meter), Atlassen (ca. 1 meter) en boeken van voor 1945 inclusief contemporaine uitgaven uit de Tweede Wereldoorlog (ca. 1 meter).
In de archiefkast staan in dubbele rijen alle bijzondere uitgaven; 'old en rare' en mijn in perkament gebonden boeken uit de zeventiende en achttiende eeuw (vooral geschiedenis waaronder oude kronieken, Amsterdam en Amstelland, topografie en oude literatuur). In de zwarte dozen onder in de kast zit voornamelijk moderne bibliofilie; dit soort boekjes...
Die archiefkast was vijf jaar geleden al (te) vol maar barst nu uit zijn voegen.


In de tussentijd kwamen er immers verschillende kleine collecties bij; Helmers ('De Hollandsche Natie'), Hennebo ('Lof der Jeneever') en Van der Goes ('De Ystroom').
Min of meer gedwongen verhuisde ik daarom veel negentiende en vroeg twintigste eeuwse boeken (over straatmuzikanten, gevangenisleven, zwervers, colportage en middernachtzending) uit deze kast naar... een stapel op de oude babycommode.
Een tweede stapel daarachter bevat onder andere de tiendelige serie rode bandjes met werken van Walter Scott waarover u hier kunt lezen. Op het zwarte ladekastje er naast staan twee kattekoppen (17de eeuwse wijnflessen), restanten uit mijn periode als amateur archeoloog en schatgraver. Daar achter ziet u een stapel met jaarboeken van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen met 'on top' de twaalfdelige serie "Verzameling der werken van A. Fokke Simonsz." (Amsterdam, 1830/1835).


Op de boekenkasten staan (aan twee kanten) mijn fameuze metalen tijdschriftenbakken met zeer diverse inhoud zoals u hier kunt lezen.
Wat in de tussentijd vooral groeide is mijn deelcollectie bijzondere folders & brochures. Inmiddels stapelen de zuurvrije dozen (totaal zijn het er nu acht) met dit efemere drukwerk zich hier letterlijk op. Ze bevatten vooral schaarse uitgaven over Amsterdam/Amstelland, armoede, riolering & afvalverwerking, seksualiteit (lees mijn drieluik "De 'Z' van..." en "Vrouwenbeschutting") en 'blanke slavinnen' (dat onderwerp is van een publicatie volgend jaar).
Uit deze dozen putte ik voor mijn Twitter-project "50 Bizarre Brochures" (dat een ode is aan de handelaar bij uitstek daarvan, de helaas alweer vier jaar geleden overleden Amsterdamse antiquaar Louis Putman (1923-2013).


In een aparte kaartenmap bevinden zich mijn losse topografische kaarten en stadsplattegronden plus wat restauratiemateriaal in de vorm van oud en nieuw zuurvrij papier alsmede oud en nieuw (hand)marmerpapier.
Mijn handschriften maar ook gedrukte archivalia waaronder een deelcollectie lokale 'keuren en ordonnantiën' bewaar ik in mappen in een aparte zuurvrije doos.
Een doodenkele keer bewaar ik iets in boeken zoals de ansichtkaarten van 'Naatje' op de Dam in het “Gedenkboek der oprichting van het monument ter herinnering aan den volksgeest van 1830 & 1831” (Dordrecht, 1858). Een ander voorbeeld is Nederlands oudste openbaar vervoersbewijs (een uniek kaartje voor de trekschuit uit 1775) dat ik bewaar in een zuurvrij hoesje bij: “Ordonnantie op de vaart langs den Amstel, Drecht en Aar…” (Amsterdam, z.j.).


Tussen al dat boekengeweld staan hier en daar wat oude en bijzonder objecten want zoals u weet ben ik door en door het voorbeeld van een antiquarius en is mijn belangstelling voor cultuurhistorisch erfgoed dus erg breed. Historische objecten komen er overigens (en gelukkig maar) mondjesmaat bij, want mijn ruimte is beperkt en voornamelijk bedoeld voor boeken.
Toch heeft u sinds mijn eerste stukje over mijn 'private library' kunnen lezen over het beeldje van Coster dat ik in 2014 kocht en over enkele oude bijzondere clichés die ik in 2015 bemachtigde.

Veel is nog niet besproken zoals mijn kleine collectie (tien objecten) dertiende eeuws proto-steengoed uit Brunssum/Schinveld (Limburg), het gebied waar mijn familienaam voor het eerst opduikt in de geschiedenis. Feitelijk het serviesgoed waaruit mijn voorvaderen dronken en aten!
Ook nog niet besproken - maar dat doe ik nu even hier - zijn de oude ijzeren handboeien met originele schroefsleutel die ik vorig jaar kocht via Marktplaats.

Gelukkig zijn ze gestempeld met de firmanaam 'Froggatt' (nummer '87' en 'Hard'). Met die gegevens is via Google gauw te achterhalen dat het gaat om Engelse 'handcuffs' gemaakt rond 1850 door een bekende negentiende eeuwse boeienfabrikant uit Birmingham, die ondermeer leverde aan Harry Houdini (1874-1926).
Wie zou ze hebben gedragen? Wat voor verhaal en leed schuilt erachter?
Zo'n (verzamel)object kan mij enorm boeien en doet mij af en toe denken aan mijn onfortuinlijke overgrootvader!

Ondertussen - beste boekenvrienden - gaat hier de stroom aan oud en nieuw maar altijd interessant (en meestal ingebonden) bedrukt papier gestaag door.
Deze week arriveerde hier met de post weer twee aanvullingen 'curious, old & rare' dankzij mijn nimmer aflatende 'Sneupen 2.0'. Beiden zijn trouwens de moeite van een aparte bespreking waard!
Kortom, u hoort weer van mij...