vrijdag 16 juni 2017

Kozakkendag bracht 'De Verlossing'


Van de boekenmarkten die in de zomer door de Kan worden georganiseerd bezoek ik bij voorkeur de Amstellocatie naast de Stopera. Op de Dam is mij iets te toeristisch en bovendien zijn er handelaren die daar liever niet (meer) komen omdat het hen te weinig oplevert.
Jammer, want daardoor neemt niet alleen de aangeboden boekenhoeveelheid af maar ook de kwaliteit. Natuurlijk hangt een en ander ook af van je interesse(s). Bij mij zijn dat toch vooral de wat oudere antiquarische uitgaven. Helaas zijn er steeds minder kramen die daarvan wat hebben liggen maar afgelopen zondag had ik geluk en weer eens beet!


Ik was die zonnige dag al vroeg op pad gegaan en toen ik rond tien uur op de markt naast de Amstel verscheen waren vele handelaren nog druk bezig met uitpakken.
Bij kraam nummer zeven werd mijn aandacht getrokken door een bundeltje met gelegenheidsgedichten uit het jaar 1813. Het einde van de Franse bezetting zorgde toen voor een welhaast onafzienbare stroom 'jubelpoëzie', en uit het stapeltje trok ik twee pamfletten die voor tien euro per stuk mijn eigendom werden.
Hoe ik tot mijn keuze voor deze twee kwam zal u gauw duidelijk worden.

Het anonieme gedicht: "Aan het volk van Nederland" (Amsterdam, 1813) trok mijn aandacht omwille van zijn titel. Die is natuurlijk expres gekozen en refereert aan het bekende pamflet uit 1781 van Joan Derk van der Capellen tot den Pol (1741-1784). Daarnaast bevat het een soort toegift in de vorm van een extra gedicht getiteld:
"Aan mijne stadsgenooten. Op den 24ste November 1813".


Er zijn niet veel Amsterdammers meer die weten dat er op vierentwintig november 1813 een einde kwam aan de Franse overheersing van de hoofdstad.
Op die dag - rond zeven uur in de ochtend - arriveerde hier tweehonderd Kozakken voor de Muiderpoort. Hun komst was beslissend.
Na het vertrek van de Franse bezettingsmacht op 14 november had het neutraal georiënteerde provisioneel stadsbestuur besluiteloos doorgemodderd. Pas op 'Kozakkendag' dorsten ze de macht uit handen te geven en kwam er een definitief einde aan achtentwintig jaar Franse tijd in Amsterdam.
Een maand later, op 2 december 1813, reed de toekomstige Koning Willem I onder gejuich van duizenden mensen via de Haarlemmerdijk de stad binnen waar hij op 30 maart 1814 met veel pracht en praal zou worden gekroond.


Zoals bij de meeste pamfletten die ik in de loop der jaren ben tegengekomen zit er geen (sierpapieren)omslag om. Met uitzondering van de titelpagina waar enige typografische variatie is betracht is het verder een weinig spectaculaire (octavo)uitgave die terug te vinden is in de pamflettencatalogus van Knuttel (nr. 23559) en digitaal hier.

Dat is geheel anders bij het tweede pamflet (Knuttel 23584) dat ik uit het stapeltje trok.
Het viel meteen op door zijn fraaie en zorgvuldig bedrukte omslag. Een blanco vel met sierkaders voor en achter met in het midden voorop de titel "Bij de verlossing van mijn dierbaar vaderland" en achterop een bloem.
Toen ik het opensloeg viel mijn oog direct op de in Gotische letters gedrukte auteursnaam Petronella Moens (1762-1843). Deze blinde domineesdochter, 'De Vriendin van 't Vaderland', is in de Nederlandse geschiedenis en literatuur geen onbekende, maar dit verhaal wordt te lang om daar uitvoerig bij stil te staan.
Links van het titelblad (de achterzijde van de omslag) las ik: "Geene exemplaren worden voor echt erkend, die niet door de uitgeefster eigenhandig zijn ondertekend" met daaronder in zwierige handschrift 'F.D. Zimmerman'. 
Interessant, een vrouw!


Thuis begon het uitpluizen.
Geen van de brochures wordt momenteel antiquarisch aangeboden. Wel zijn ze in openbare collecties te vinden. Van het gedicht van Petronella Moens vond ik al gauw een digitale versie van de tweede druk uit 1814 ( (Knuttel 23759) die u hier kunt bekijken.
Bij dat exemplaar ontbreekt overigens die omslag en het zou me niet verbazen als die alleen om de eerste druk zat. Juist die sieromslag met autorisatie op de versozijde maakt deze uitgave extra interessant! Alleen daar staat expliciet dat F.D. Zimmerman een ‘uitgeefster’ is!

Toen ik mij in haar verdiepte ontdekte ik al gauw dat mevrouw Zimmerman eigenlijk Fortmeijer heette!
Deze Frederica Dorothea Fortmeijer (1780-1850) huwde op 16 juni 1808 Johannes Decker Zimmerman (1785-1867).

Hij was predikant te Utrecht en zoon van David Zimmerman die terug uit Patriotse ballingschap in 1801 een drukkerij startte met meerdere persen. Hier leerde Johannes letterzetten en al gauw werd hij ook met correctiewerk belast. De stap naar zelf schrijven en publiceren was zo gauw gezet.



Johannes Decker Zimmerman (zijn moeders naam Decker voegde hij in 1806 toe aan zijn achternaam) schreef onder meer diverse gedichten gewijd aan politieke gebeurtenissen zoals over Napoleon en de Belgische opstand (1830). Toen hij in 1812 in financiële moeilijkheden raakte stichtte hij in Utrecht, in de Lange Nieuwstraat 330, een boek-, papier-, muziekhandel en leesbibliotheek op naam van zijn vrouw, F.D. Zimmerman (geboren Fortmeijer).
Een van de eerste publicaties die daar - voor enkele stuivers te koop - verscheen was 'Bij de Verlossing...' van Petronella Moens.
De samenwerking moet bij Moens in de smaak zijn gevallen want tussen 1814 en 1829 schreef zij nog diverse stukken in het weekblad 'Euphonia' dat eveneens bij deze 'uitgeefster' verscheen en waarvan hij redacteur was.

'Bij de Verlossing' stond aan het prille begin van een langdurige vriendschap.
Toen hij op 29 december 1837, vijfentwintig jaar later, een bijdrage schreef in haar vriendenrol richtte hij zich tot haar met 'Lieve Pietje' (naar haar bijnaam 'Pietje potentaat!). Zes jaar later, in 1843, overleed Petronella Moens en memoreerde hij haar met een uitgebreide gedachtenisrede.
Waartoe een mooi verzorgde uitgave die bol staat van de: "taal van eene vrouw, die eenen man eer zoude aandoen..." al niet kan leiden!

donderdag 1 juni 2017

Bibliotheca Enchusana

De meeste bibliofielen die ik ken zijn ook eigenaar van een (al dan niet grote) privébibliotheek. Als die bovendien een paar plankjes met ‘boeken over boeken’ bevat dan staan daar altijd wel wat uitgaven tussen over (Nederlandse) bibliotheken.

Op dat gebied heb ik een paar weken geleden met een aardige korting het nieuwe boek gekocht dat verscheen onder redactie van Ad Leerintveld en Jan Bedaux; “Historische Stadsbibliotheken in Nederland” (Zutphen, 2016). Dat staat nu naast mijn exemplaar van P. Schneiders: “Nederlandse bibliotheekgeschiedenis. Van Librije tot virtuele bibliotheek” (Den Haag, 1997). Aardig detail is dat in het laatste boek ook de uitnodiging zit voor de boekpresentatie destijds en dat de auteur het boek heeft gesigneerd.


Voorts staat hier natuurlijk ook de heruitgave van de oudste gedrukte catalogus ter wereld van een openbare bibliotheek; de Leidse ‘Nomenclator’ uit 1595 (Leiden, 1995, in een oplage van 350 exemplaren) van Petrus Bertius en tot slot beschik ik over diverse kleine moderne uitgaven met betrekking tot Nederlandse (historische) bibliotheken zoals het boekje van K.O. Meinsma: “De librye te Zutphen” (Zutphen, 1988).


Op het gebied van ‘old & rare’ had ik tot dusver maar één enkele uitgave in mijn kast staan die ik al eens eerder aan u heb voorgesteld (zie hier).
Het gaat om een exemplaar van de in 1881 uitgegeven facsimile van de "Catalogus Bibliothecae Amstelredamensis" (Leiden, 1612) die ik destijds voor vijf en zeventig euro kocht bij veilinghuis Bubb Kuyper.

Originele oude stadsbibliotheekcatalogi, zeg maar van voor 1800, was ik tijdens mijn boekenjachten nog niet tegengekomen tot vorig week vrijdag.
Toen vond ik op de Amsterdamse Spui boekenmarkt (bij antiquariaat Fenix) voor slechts drie tientjes een exemplaar in oorspronkelijk (kam)marmeren omslag van de “Index Variorum, Insignium Librorum, tam Historicorum, Medicorum, Juridicorum, quam Theologicorum, qui servantur in bibliotheca Enchusana” (Enchusae, 1761).

Meteen gekocht natuurlijk want dergelijke uitgaven zijn erg zeldzaam. Ze werden immers maar voor een beperkte doel gedrukt en de oplagen waren dus niet groot. Bovendien veranderde het boekenbestand nog wel eens en verouderde de catalogus. Naast de Koninklijke Bibliotheek beschikken ook de universiteitsbibliotheken van Amsterdam en Utrecht over een exemplaar alsmede het Westfries archief (en, naar ik mag hopen, ook de Librije zelf!).

Dankzij het boek van Ad Leerintveld en Jan Bedaux, met het door Jaap Keppel geschreven hoofdstuk over de Enkhuizer Stadsbibliotheek, bleek me al gauw dat het gaat om een herdruk van de catalogus van 1693 die voor wat betreft het boekenbestand met maar één titel verschilde van zijn voorganger (in quarto, nr. 53; een redevoering van dominee H. Stochius, gedrukt in 1761). De catalogus met op het titelblad het wapen van Enkhuizen vastgehouden door een schone vissersmaagd, bevat geen inleiding maar valt meteen met de deur boeken in huis. Het zou mij echter niks verbazen als de reden voor deze midden in de achttiende eeuw, onverwachts verschenen heruitgave, gezocht moet worden bij die trotse Enkhuizer dominee.

De Enkhuizer Librije is de enige zeventiende eeuwse stadsbibliotheek die bewaard is gebleven op haar oorspronkelijke locatie (op de bovenverdieping van het zuiderportaal in de Sint Gummarus- of Westerkerk). Ze is vaker onderwerp van onderzoek geweest en ook is er een aardige romantische afbeelding van haar gemaakt, geschilderd door J.P.C. Grolman (1841-1927), die u bovenaan dit stukje ziet. Ik bezocht haar met een aantal leden van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen een paar maanden na de heropening in november 2014 en maakte er diverse foto’s waarvan er thans één mijn Twitter profiel siert.

Terug naar die catalogus!
Wat mij al bladerend in de metro op weg naar huis, direct opviel zijn een aantal typische kenmerken die je wel vaker ziet in dergelijke oude catalogi. Bijvoorbeeld het gebruik van diverse lettertypen. Nederlandstalige titels in het gotisch, Latijnse titels in het romein en Franse titels in romein cursief. Daarnaast de onderverdeling per plank ('pluteo') in onderwerp en formaat (folio en quarto) en tot slot de zeer summiere titelbeschrijving waardoor van sommige boeken volstrekt onduidelijk is om welke editie het gaat. Overigens zijn de boeken doorlopend genummerd zodat in één oogopslag duidelijk is dat de bibliotheek in 1761 bestond uit 335 folio’s en 53 quarto’s.

Het zal u niet verbazen dat Theologie de hoofdmoot vormde. De oudste uitgave is van 1487, de jongste van 1761. Het merendeel bestaat echter uit boeken die tussen 1510 en 1650 verschenen met als absoluut hoogtepunt het eerste kwart van de zeventiende eeuw.

Een bezoekje aan de Enkhuizer Librije kan ik trouwens elke boekenliefhebber aanraden, zeker als je nog nooit in een oude stadsbibliotheek in zijn oorspronkelijke behuizing bent geweest. Sinds 2006 is de zorg toevertrouwd aan de Stichting Librije Westerkerk (SLWE) die als logo het titelblad van de catalogus van 1761 voert.

vrijdag 19 mei 2017

Over grenzeloze fantasie en goedkope werkelijkheid

Trouwe lezers van mijn blog weten dat ik al eens eerder heb geschreven over enkele boeken die ik kocht via internetveiling Catawiki.
Kortgeleden zag ik daar weer een interessant kavel waarop ik succesvol bood. Het gaat om Jan Fokke Simonsz. (1742-1812): "Amsteldam en zyne geschiedenissen, in 't kort" (Amsterdam, 1788-1792). Een zesdelige serie die in feite werd geschreven en uitgegeven voor de jeugd.
Dat blijkt behalve uit het formaat (12°) ook uit de opzet. In vraag en antwoordvorm behandelen vader en zoon uitvoerig de geschiedenis van de hoofdstad. Onmiskenbaar werd daarbij het grote voor volwassenen geschreven driedelige (later vierdelige) werk van de achttiende eeuwse stadshistoricus Jan Wagenaar gevolgd. Dat is vooral te zien aan de overeenkomstige thematische opbouw en indeling.
De volledige tekst van alle zes deeltjes is online beschikbaar.

Interessant zijn de verschillende afbeeldingen door H. Vinkeles naar J. Buijs
(historieplaten), N. v.d. Meer jun. naar J. Elffers (gebouwen en dorpsgezichten) en
D. Vrijdag (portretten) die deels nieuw, deels navolgingen zijn van eerder uitgegeven illustraties. Het eerste deel bevat een uitslaande stadsplattegrond getiteld: "Grondtekening der stad Amsteldam, in derzelver eerste beginselen, omtrend Aº 1200".
Het is een opmerkelijk fantasiekaartje (niet gesigneerd), een stadsreconstructie begrensd door de kennis van toen, maar bovendien de enige oude stadsafbeelding met daarop het fameuze 'kasteel van de heren Van Amstel' in volle glorie! Lang hebben moderne historici gedacht dat het om een luchtkasteel ging! Maar nee, aan de Nieuwzijds Kolk, ongeveer daar waar de onbekend gebleven graveur het kasteel weergaf, werden in 1994 inderdaad muurresten gevonden van een versterking uit het einde van de dertiende eeuw (die zeer waarschijnlijk door de Hollandse Graaf Floris V werd gebouwd).

Het is niet de enige fantasievolle boekillustratie van Amsterdam in mijn collectie.
Ook in het door Johannes Marshoorn uitgegeven: "Gebouwen, Gezigten en Oudheden der Stad Amsterdam" (Haarlem, 1741) waarover ik eerder schreef, zit een bijzondere geheel verzonnen afbeelding.
Bijzonder, omdat deze (3) 'Verbeeldende Amsterdams geringe Beginzel' de situatie weergeeft toen er nog geen sprake was van stedelijke bebouwing!
De gravure toont een moerassig landschap met drie armzalige vissershutjes aan het IJ en de rivier de Amstel en moet de nederige afkomst verbeelden van de later zo machtige koopstad Amsterdam.
Grenzeloze fantasie gebaseerd op een mythische beeld!
In de Amsterdamse bodem zijn geen sporen van bewoning vóór 1200 aangetroffen en mochten die er zijn geweest dan zijn ze van de kaart geveegd door grote stormvloeden zoals de Allerheiligenvloed van 1170. Bovendien is inmiddels uit archeologisch onderzoek komen vast te staan dat er zich aan de Amstelmond vanaf het begin af aan ook verschillende ambachtslieden vestigden (zo zijn er bewoningssporen gevonden van een wever, tingieter en smid).


Fantasie; maar desondanks werden beide kaartjes opgenomen in het voor (topografische) kaartenliefhebbers onmisbare tweedelige standaardwerk van Marc Hameleers: "Kaarten van Amsterdam 1538-2012" (Amsterdam, 2013).
Daarin vindt u ook de oudste betrouwbare stadsplattegrond; het befaamde schilderij uit 1538 van Amsterdam in vogelvlucht door Cornelis Anthonisz. (ca. 1505-1553). Van deze afbeelding is door hem in 1544 een houtsnedekaart gemaakt (die bestaat uit twaalf delen). Van de eerste oplage van deze gedrukte kaart is geen exemplaar meer bekend.
Van de andere vijf oplagen die tussen 1544 en 1664 (!) verschenen resteert nog een handvol exemplaren, allen in openbare collecties. De kans dat er ooit nog een exemplaar 'in het wild' bij een antiquaar of veilinghuis opduikt acht ik nihil.


Een vroege facsimile (1941) van deze houtsnedekaart uit 1544 bezit ik al (zie hier) maar het is ook nog steeds mogelijk om voor relatief weinig geld een zestiende eeuwse kopie van die beroemde stadsplattegrond te kopen!

Het gaat om een klein houtsnedekaartje (15.5 x 17.5 cm.) dat voor het eerst voorkomt in een uitgave uit 1550 van Sebastiaan Münster's (1488-1552): "Cosmographia" (Basel, 1544). Het monogram linksboven 'H.H.' verwijst naar de graveur: Heinrich Holzmüller (1530-1559). Het is in één oogopslag duidelijk dat de kaart van Cornelis Antonisz. uit 1544 model stond.


Het boek van Sebastiaan Münster was razend populair. Binnen een eeuw verschenen vierentwintig edities in verschillende talen. Origineel en compleet is deze uitgave nu onbetaalbaar maar gelukkig kon ik jaren geleden in de ramsj bij De Slegte in Amsterdam een facsimile kopen voor weinig geld.

Interessant vind ik ook de legenda (' Erklerung') onder dit kaartje die het belangrijkste wereldlijke gebouw noemt alsmede diverse geestelijke instellingen (A. Altekirch,
B. Newkirch, C. Statthauss, D. sant Claren, F. sant Margreth, G. Minder bruder, H. Unser frawen capel, K. Leprosen, L. sant Magdalen, M. sant Brabara, N. Pauliner).
Heel opvallend daartussen is de vermelding van 'E. die ramen'! Geen gebouw maar een plek van pre-industriële nijverheid, de lakenindustrie! Een groot veld buiten de Amsterdamse stadsmuren (op het kaartje geheel links in het midden) waar grote houten raamwerken waren opgesteld waaraan de lakenbereiders hun geverfde lakense stoffen lieten drogen en oprekken.


Losse bladen uit een van de vele edities van het boek van Sebastiaan Münster met dit kaartje (gekleurd en ongekleurd) worden antiquarisch nog her en der te koop aangeboden voor bedragen onder de honderd euro. Ik kocht een blad, uit een van de talrijke Duitse edities; ongekleurd, want persoonlijk hou ik niet zo van ingekleurde kaarten en illustraties, tenzij het topkwaliteit is.
Ik vond mijn nieuwe aanwinst online in een Duits antiquariaat in Altenmarkt an der Alz (Bayern) en het kostte me inclusief de verzending vijfenvijftig euro!
De werkelijkheid is goedkoper dan u denkt maar kijk bij het stillen van uw bibliofiele begeerte dus vooral verder dan uw neus lang is, kijk internationaal!

donderdag 4 mei 2017

Nederlands oudste openbaar vervoersbewijs?

Een aantal jaren geleden schreef ik op dit blog “Ephemera uit vak U7” over een toegangskaartje voor een voetbalwedstrijd tijdens de Olympische spelen in Amsterdam in 1928.
Oude toegangsbewijzen maar ook vervoersbewijzen zijn al gauw uniek. Wie bewaarde nou zoiets (en waarom)? Vele miljoenen moeten er zijn er uitgegeven maar slechts een handjevol resteert. Ook op dit gebied zijn er websites en verzamelaars, zoals Willem Boorsma uit Franeker.

Ik ben ooit in een boek, dat ik in mijn kringloop had gekocht, een Amsterdams tramkaartje van rond 1935 tegengekomen (met 'Schoevers' reclame op de achterzijde) dat dienst deed als bladwijzer.
Een aardige vondst, daar niet van, maar ik had natuurlijk veel liever een treinkaartje uit 1839 gevonden. Eén van de ruim 77.000 die in dat jaar zijn uitgereikt en waarvan kennelijk geen enkel exemplaar meer overbleef…
U vond er één?
Dan spoorslags naar het Spoorwegmuseum! Die boden in 2014 nog € 25.000,- euro voor een origineel exemplaar!

Bootkaartjes, treinkaartjes, tramkaartjes, buskaartjes, de papieren variant verdwijnt steeds meer maar ik ben er nog min of meer mee opgegroeid…
Een vertrouw verschijnsel dus, maar kaartjes voor de 'oudhollandsche' trekschuit, ruim twee eeuwen terug? Kenden ze toen ook al vervoersbewijzen? Dat is toch een negentiende eeuws verschijnsel?
Die gedachten schoten door mij heen toen ik op Marktplaats een kaartje aantrof voor de trekschuit Gouda-Amsterdam uit 1775!
Eén ding wist ik meteen zeker, het is zonder meer een ‘rariorum curiosum’ en daar is Perkamentus antiquarius gek op!

De trekvaart tussen Amsterdam – Haarlem was in 1632 de eerste die speciaal voor personenvervoer werd aangelegd. Anderen volgden spoedig. Het octrooi voor de trekvaart Amsterdam – Gouda en vice versa werd vijfentwintig jaar later verleend.
Op 18 april 1658 werd de dienst geopend. In Amsterdam lag het vertrek- en aankomstpunt bij herberg De Beerebijt aan de Amstel (ongeveer ter hoogte van de huidige Tweede Jan van der Heijdenstraat in Amsterdam). De grote gravure hierboven (35 x 49 cm.) van Jan Evert Grave (1759-1805), die als extra plaat in mijn bijzondere deel IV van Jan Wagenaars Amsterdamse stadsgeschiedenis zit, laat het etablissement zien met enkele trekschuiten voor de deur.

De schuiten vertrokken van Amsterdam in de maanden mei-augustus des morgens te 7 ure en ’s avonds ten 8 ure, in de maanden maart, april, september en oktober ook ’s morgens ten 8 ure, en in de maanden november-februari alleen ’s avonds.
Van Gouda vertrokken de dagschuiten ten 11 ure, behalve in de maanden november-februari, en ’s avonds te 8 ure. Aanvankelijk was er ook een middagdienst, doch deze verviel in 1734. De reis duurde 8 uur, mits het ‘aanleggen’ onderweg niet langer duurde dan strikt nodig was! 
Het ruim bood plaats aan maximaal 28 personen en de roef aan 4 personen. Wanneer zich meer passagiers aanmeldden moest een tweede schuit worden ingelegd. Het tarief voor de enkele reis Amsterdam-Gouda bedroeg 15 stuivers, waarvan 5 stuivers voor de tol, en voor gedeelten van het traject naar verhouding. Wie in de roef wilde zitten betaalde 12 stuivers extra. Bovendien genoten de schippersknechts van iedere passagier 1 stuiver voor plaatsgeld, en voor het verhuren van kussens 2 stuivers. Kinderen beneden tien jaar betaalden half geld, behalve die, welke op schoot werden gehouden. Handbagage was vrij. Terwille van de passagiers, die gedurende de nacht de leden wilden uitstrekken waren de schippers verplicht om in de wintermaanden, en sedert 1684 ook in de zomermaanden, stroo in het ruim te leggen. In 1716 evenwel werd op verzoek van de schippers deze verplichting beperkt tot de schuiten, welke op zondagavond van Gouda en op maandagavond van Amsterdam vertrokken.



Behalve passagiers namen de trekschuiten ook stukgoederen, variërende van brieven en geldzendingen tot wasgoed (de vuile was van Amsterdam werd voor een belangrijk deel door Goudse blekerijen gereinigd) mee, waarvoor een gedetailleerd tarief gold. Wanneer jaagschuiten elkaar ontmoetten moesten de naar Gouda varende de buitenkant houden. In verband hiermede bezaten de schuiten twee masten, waaraan de jaaglijn bevestigd werd, een hoge en een lage mast. Uiteraard werd er op toegezien, dat de schippers en hun knechts zich betamelijk gedroegen. Aanvankelijk werd het veer bediend door 12 Amsterdamse en evenveel Goudse schippers. Dit aantal was blijkbaar te hoog gegrepen, want in 1668 al werden deze aantallen teruggebracht tot 8. Zij ontvingen hun aanstelling van het betrokken stadsbestuur. Enige selectie was wel nodig, want hen werden veel brieven en geldzendingen toevertrouwd
Het voorgaande was natuurlijk vastgesteld in een ordonnantie (maar daarin staat niets over vervoersbiljetten).

Bij Koninklijk besluit van 5 april 1823 werd een ontwerp tot bevaarbaarmaking van de Amstel, Drecht en Aar voor grotere schepen goedgekeurd, en in verband daarmede het beheer van genoemde vaarwegen aan een college genaamd ‘Heemraadschap van den Amstel en Nieuwer Amstel’ opgedragen, onder voorbehoud van een schadeloosstelling aan de steden Amsterdam en Gouda voor de te derven inkomsten. Op 2 februari 1824 werd door de beide steden het jaagpad tussen Uithoorn en de brug tegenover Gouwsluis met alle bijbehorende werken en bezittingen en alle daaraan verbonden inkomsten met terugwerkende kracht tot 1 januari 1824 overgedragen aan genoemde instelling.” (J.E.J. Geselschap: ”De trekvaart van Amsterdam naar Gouda 1658-1823”, in Maandblad Amstelodamum 59e jrg. Januari 1972, blz. 7 t/m 15).
Van de zeldzame “Ordonnantie op de vaart langs den Amstel, Drecht en Aar…” (Amsterdam, z.j.) uitgegeven bij Kramer en Zoon, ‘Kantoor-boekverkoopers op ’t Rockin, tusschen de Duifjes- en Gapertsteegen’ zit een exemplaar in mijn collectie 'Watermanagement'.


De trekschuitveren ontwikkelden zich tot verreweg de belangrijkste vorm van personenvervoer in het lage West-Nederland en bleven dat ruim twee eeuwen lang.
In het eerste kwart van de negentiende eeuw zette het verval in. Door de aanleg van (verharde) straatwegen nam de intensiteit van het vervoer per diligence of postwagen toe. Er kwam een net van dagelijkse postritten over heel Nederland. Maar de nekslag kwam toen in het midden van die eeuw ook het vervoer per trein en boot goed op stoom kwam. Rond 1860 was het definitief afgelopen met het persoonsvervoer via de trekschuit.

Mijn vervoersbewijsje werd in Gouda uitgereikt aan de heer Barends. Die betaalde ruim twee eeuwen geleden twee gulden en acht stuivers (nul penningen) huur voor de (avond)roef van zondag 8 oktober 1775 naar Amsterdam.
Een fors bedrag als we bedenken dat een arbeider toen tussen de twintig en vijfentwintig stuivers per dag verdiende.

De kaartverkoper was Jan Willem van Sweeringen (Ged. onbekend – 1781), kastelein (waard of herbergier) in het (Groot) Amsterdamse Veerhuis (later ook wel bekend als ‘Le Lion d’Or’) aan de Hoge Gouwe te Gouda; “alwaar de Roeven verhuurt en de Schuit voor de deur aankomt en afvaart, en men Logeert en Tracteert voor een civile prys”.
Volgens de Goudse poorterboeken was Jan Willem in 1758 uit Utrecht gekomen. In 1769 en 1777 kocht hij huizen aan de turfmarkt te Gouda. Mogelijk grensde de percelen aan het Amsterdams Veerhuis om de hoek aan de Hoge Gouwe, want achter het veerhuis bevond zich later een rijtuigstalling.
Uit het dagboek van de Oranjegezinde achttiende eeuwse Goudse burgemeester Willem van der Hoeve (1729 - Overl. na 1795) weten we dat het gepeupel het in het politiek roerige jaar 1788 had voorzien op het Amsterdams Veerhuis “omdat daar veele van de patriotten wel eens een pyp gaan rooken, Om malkander eens te zien".

Nadere bestudering van dit ruim twee eeuwen oude vervoersbewijsje (10 x 7,5 cm.) leidt tot de volgende conclusies en vragen.
Om de drukkosten te rechtvaardigen moeten er behoorlijk wat kaartjes zijn verkocht. Enkele tekstgedeelten zijn voorgedrukt waaronder de naam van Jan Willem van Sweeringen. Dat wijst er op dat hij de kaartjes heeft laten maken. Het voorgedrukte ‘Roef' (het dure meer luxe gedeelte van de trekschuit ten opzichte van het goedkope 'ruim') en vooral verderop 'alwaar de Roeven verhuurt...' lijkt mij een aanwijzing dat er uitsluitend hiervoor kaartjes (feitelijk reserveringsbewijsjes) waren. Anders had men dit wel opengelaten om het met de hand nader in te vullen.


Bijzonder opvallend is ook de laatste reclameregel over logeren en trakteren tegen een ‘civile’ prijs waarmee dit kaartje een opmerkelijk modern trekje krijgt en Jan zich laat kennen als een slimme ondernemer (al heb ik mijn vragen bij zijn rekenkunst…).
Jan Willem hield de verhuur/inkomsten bij in een register ('voor d'Aantekening').
Dat lijkt mij logisch en zelfs (van overheidswege) verplicht, maar voorgedrukte kaartjes? Lieten zijn voorgangers en opvolgers ook dergelijke kaartjes drukken? Wie het weet mag het zeggen…
Gezien de naamgeving moet er van oudsher al een band zijn geweest tussen ‘Het Amsterdamse Veerhuys’, de veerverbinding Gouda-Amsterdam en de verkoop/verhuur van vervoersbewijzen. Pas in 1803 nam het stadsbestuur daarover formeel een besluit en daarom kon notaris C.C. Krom in een vroeg negentiende eeuwse advertentie melden dat “het Verhuren der Roeven van de Volkschuit op Amsterdam, welke voor hetzelve afvaart en aankomt” behoorde bij de koop van dit vanouds gerenommeerde logement.

Tot slot; hoe uniek is dit object eigenlijk?
De oudste advertentie - die ik in Delpher vond - waarin sprake is van kaartjes voor de trekschuit is van 1830!


Vragen, mailen en Twitteren bij en naar verschillende personen en instanties leverde alleen verbaasde reacties op.
Vervoersbewijzenverzamelaar Willem Boorsma is er nooit één tegengekomen in al die jaren dat hij verzamelt en zou het wat graag aan zijn collectie toevoegen.
Diverse erfgoedinstellingen hebben iets dergelijks nimmer gezien of in hun bezit.
Historicus Ad van der Zee, werkzaam bij het Erfgoedhuis Zuid-Holland (en 'trekschuitconsulent') vraagt zich af of zoiets ooit bestaan heeft; laat in de negentiende eeuw wellicht? "Maar als je er eentje hebt gevonden uit 1775 is dat wel bijzonder".
En Diederick Wildeman conservator zeevaartkunde & bibliotheekcollecties bij het Scheepvaartmuseum in Amsterdam mailde mij: "Wij hebben geen vergelijkbaar document in onze collectie. Een kaartje voor een trekschuit zou zeker niet misstaan in de collectie van het Scheepvaartmuseum!".
De handel in ephemera of 'vieux papiers' misschien?
Een bekend antiquaar en veilingmeester bij wie ik informeerde schudde ontkennend zijn hoofd; "Ik zou er een bloedprijs voor vragen...".

Het ziet er dus naar uit dat ik het laatst overgebleven kaartje voor een Hollandse trekveerverbinding in handen heb.
Sterker nog… vermoedelijk Nederlands oudste (openbaar) vervoersbewijs...

vrijdag 21 april 2017

De boekhandelaar op de planken


De boekhandelaar duikt regelmatig op in moderne fictie.
Wie op Boekwinkeltjes zoekt op ‘boekhandelaar’ ziet de beroepsgroep in diverse titels voorbij schieten zoals in “De boekhandelaar” van Chris Ceustermans, Roald Dahl (1916-1990) en Matt Cohen, “De boekhandelaar van Amsterdam” (Amineh Pakravan) en natuurlijk die van Kaboel (Asne Seierstad), “De dochter van de boekhandelaar” (Sylvia Schenk), “De boekhandelaar en de detective” (Ramiro Pinilla), “Blok, de boekhandelaar van mijn vader” (Jan Brokken) en ‘last but not least’ het befaamde “Een ochtend bij de boekhandelaar” van Carl. J. Burckhardt (1891-1974).
Die laatste staat trouwens ook hier in de kast en was iconisch genoeg om in 1970 in een drietalige uitgave (Duits, Frans en Engels) te worden uitgedeeld aan de deelnemers van de Frankfurter Buchmesse 1970 (oplage 700 stuks).

Het debuut van 'de boekhandelaar' als fictieve figuur begint in Nederland op de planken van de toneelliteratuur.
Zo rond 1720 verscheen bij Gijsbert Tijsens (1693-1732) het blijspel: “De weergadeloze bedrieger ontmaskerd, of de valsche boekhandelaar in zyn aard en weezen ontdekt” (z.p.z.j). Een kennelijk succesvol optreden want het kreeg in 1727 een vervolg.
Nadat het laatste applaus had geklonken werd het ruim een eeuw stil maar in 1835 ging het doek weer op, speciaal voor mij…!

Ergens halverwege maart op een wat grijze koele vrijdag was ik in Amsterdam. Na het aanschouwen van een voorgoed gesloten en dichtgeplakt antiquariaat De Friedesche Molen in de Rosmarijnsteeg (Amsterdam) kreeg ik sterk de behoefte aan een opbeurend bezoekje aan het nabijgelegen antiquariaat Brinkman.
Ik verwachte Frank aan te treffen maar die bleek verkouden thuis te zitten en dus raakte ik weer eens in gesprek met zijn charmante winkelassistente Joanna Rozendaal.
Joanna was druk bezig met haar werk en terwijl we wat nieuwtjes uitwisselden en er zo nu en dan een bezoeker binnenkwam, om rond te snuffelen of om af te rekenen, viel mijn oog op een klein (octavo formaat) boekje dat opengeslagen in de pronkkast tegen de achterwand stond.

Het waren de eerste twee titelwoorden in kapitaal die mijn onmiddellijke aandacht trokken.
De Boekhandelaar, of het welbetaald handschrift; blijspel in vijf bedrijven door M.H. Binger” (Amsterdam, 1835). De titel(illustratie) en een door de secretaris van de commissarissen van de Stadsschouwburg ondertekende verklaring dat het om een geautoriseerde uitgave gaat tonen het genre aan.
Voor zestig euro werd ik eigenaar van dit mij onbekende stukje toneelliteratuur.

Thuisgekomen besloot ik om allereerst die saaie bruinkartonnen omslag te beplakken met wat origineel negentiende eeuws marmer (zie onderste foto). Dat maakte het boekje qua uiterlijk meteen een stuk aantrekkelijker vindt u ook niet?
Vervolgens bestudeerde ik de provenance kenmerken. Een plakkertje op de Franse titelpagina met nummer 10.693 en een oud bibliotheekstempel op de titelpagina (en nogmaals op de slotpagina) toonde de herkomst uit een (theater)collectie aan.
De stempel behoorde toe aan ‘A. van Lier, theater directeur, Amsterdam’.


Abraham Israël van Lier (1812-1887) bleek na een carrière als muzikant, dansmeester en acteur tussen 1852 en 1887 inderdaad directeur te zijn geweest en wel van het Grand Théâtre (des Variétés), voorheen de Hoogduitsche Schouwburg, in de Amstelstraat.
Daarmee is de herkomst van het boekje mij duidelijk. Of dit blijspel ook in zijn theater is opgevoerd?
De ‘Nederlandsche Staatscourant’ van 2 juni 1835 maakt melding van de première op 2 juni 1835 in de ‘Koninklijke Nederduitsche Schouwburg’ (Den Haag) en laat weten dat de boekuitgave verkrijgbaar was bij H.S.J. de Groot. Datzelfde jaar volgen nog uitvoeringen in de Amsterdamse Stads Schouwburg, de Rotterdamsche Schouwburg en de Leydsche Schouwburg.
Vijfentwintig jaar later, in 1860, keert het blijspel terug op de Amsterdamse planken en wordt het enkele keren uitgevoerd in de Salon des Variétés in de Nes. Van deze laatste uitvoeringen bestaat een aardige toneelbespreking in het ‘Nieuw Amsterdamsch handels- en effectenblad’ van 8 oktober 1860.


De Boekhandelaar, of het welbetaald handschrift” is geen oorspronkelijk Nederlands product. De vertaler en bewerker is Marcus Hijman Binger (1797-1872) grondlegger van de boek- en steendrukkerij firma M.H. Binger & Zonen. In 1858 werd hij erelid van de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels (VBBB).

Binger geeft in zijn voorwoord aan dat hij – bij gebrek aan Nederlandse blijspelen – de vertaling en bewerking ter hand nam van “Das Manuscript“ dat in 1832 werd geschreven door de Duitse actrice Joanna (Franul) von Weissenthurn (1773-1847).
Das Manuscript“ verscheen destijds niet als zelfstandige uitgave maar in een bundel “Neue Schauspiele”, band 13 (Wien, 1832). Wat dat betreft, maar ook als eerste vertaling en bewerking heeft onze Nederlandse uitgave de primeur. De oplage zal niet groot zijn geweest en was met name bedoeld voor de toneelwereld . Dat blijkt bijvoorbeeld uit de opmerkingen over de setting voor het eerste bedrijf (blz. 9) en enkele voetnoten onderaan de bladzijden zoals:
De benaming van (haar)kleur kan zich regelen naar die, welke de actrice werkelijk bezit.” (blz. 20) en “NB. Dit gansche gesprek moet met veel levendigheid gehouden worden.” (blz. 125).

Centraal in het verhaal staat de jonge Reinhart, die zijn naam eer aandoet, en door zijn rijke oom, boekhandelaar Daniel Geerman, wordt gekoppeld aan de ongeletterde en onontwikkelde Agnieta Kruidnagel. De reden is simpel. Zij bezit net als oom lief kapitaal en daar gaat het om. Reinhart echter ziet dat niet zitten en trouwt uiteindelijk met de arme en blinde Louisa Wolbing wiens briljante manuscript met gedichten door haar moeder Amalia bij Daniel Geerman en Reinhart ter beoordeling was beland.

Welke denkbeelden! Welke taal! Welke schilderingen van karakters! Hoe juist! Hoe fijn! Het geheel is zoo eenvoudig, en toch zoo krachtig! Ja, als de vrouwen zoo schrijven, dan zal het hen niemand betwisten dat zij mogen schrijven.” (blz. 74). Dergelijke passages geven ons een interessant en informatief tijdsbeeld over hoe men aankeek tegen de gestadige opkomst van schrijvende vrouwen!
Het land wordt met laf geschrijf als overstroomd, en ook de vrouwelijke huishoudelijkheid, weleer het geluk van den man, verliest zich thans in een wedloop om den bijval van het publiek” (blz. 48).
En:
Ik geef den man de pen en aan de vrouw de naald in de hand. Ik moet geene nicht hebben, die mij het ontbijt in zuivere versmaat opdischt. 
Arm! – Ik houd veel van geld – maar arm had zij nog wel mogen zijn, doch geleerd niet. Eene vrouw, die meer inkt gebruikt, dan de man wijn drinkt, komt niet in mijn huis” (blz. 132).


Tot slot. Ook de groeiende negentiende eeuwse bibliomanie wordt in dit blijspel aangeroerd. Zo is in het tweede bedrijf, eerste toneel (blz. 50-52) sprake van een klant met meer geld dan geleerdheid die een enorme bibliotheek wil aanschaffen tegen contante betaling. Het doet er niet toe met wat, alleen de maat is bepalend.
De maat?
Ja, zijne kasten zijn drie ellen hoog en twee ellen breed. Hij kan de boeken dus niet anders dan bij de el gebruiken”…

zondag 9 april 2017

De Amsterdamse wereldtentoonstelling en de Friese ramp (1883)


Dit verhaal begint zo'n drie jaar geleden.
Toen kocht ik voor slechts tien euro op een boekenmarkt een oblong boekje (13 x 19 cm.) met zestien lithografische afbeeldingen van Amsterdam. Op de voorzijde van de kartonnen omslag staat "Oud Amsterdam" met een afbeelding van het Rijksmuseum, het portret van de architect P.J.H. Cuypers (1827-1921) en een heraldische versiering met de letters 'W.E.' (Willem & Emma).
Achter de raadselachtige letters 'JV.A' linksonder gaat vermoedelijk uitgever 'JV' te Amsterdam schuil. Het bevat verder geen titelblad maar alleen de volgende zestien afbeeldingen:
1. De Heerengracht
2. De beurs (van Zocher (Gesloopt in 1903, thans de plek van warenhuis De Bijenkorf)
3. Paleis des Konings (Paleis op de Dam)
4. Prinsengracht
5. Natura Artis Magistra (Hoofdingang aan de Plantage Kerklaan)
6. Groenburgwal
7. Paleis voor Volksvlijt (Afgebrand in 1929)
8. Het Amstel Hotel (Gebouwd in 1863 naar een ontwerp van Cornelis Outshoorn)
9. De Schouwburg (aan het Leidseplein. Hier liep tot 1909 de Lijnbaansgracht, thans ligt hier het Kleine Gartmanplantsoen)
10. Oude Doelenstraat
11. De Pijpenmarkt (Nieuwezijds Voorburgwal, gedempt in 1884)
12. De Houtgracht (Waterlooplein. De gracht werd gedempt in 1882)
13. Oude Schans (met Montelbaanstoren)
14. Het Nieuwe Museum (Rijksmuseum, geopend in 1885)
15. Ooster Dok
16. Panorama (Gebouwd tussen 1879 en 1880 naar een ontwerp van Isaac Gosschalk. Het stond aan de Plantage Middenlaan 50 en werd in 1935 gesloopt)


Toen ik in de beeldbank van het stadsarchief Amsterdam zocht vond ik negen van de zestien illustraties terug. Uitgever was J.F. Haeseker en Co, uit Haarlem die de afbeeldingen in 1883 vervaardigde waarbij (soms?) gebruik gemaakt werd van fotovoorbeelden zoals blijkt uit deze illustratie van het Panorama (foto: stadsarchief Amsterdam).


In dat jaar vond in Amsterdam een Wereldtentoonstelling plaats, officieel de Internationale Koloniale en Uitvoerhandel Tentoonstelling. Ruim een miljoen mensen uit vele landen bezochten toen het expositieterrein op het huidige Museumplein naast het (in aanbouw zijnde) toekomstige Rijksmuseum. De internationale toeloop verklaart meteen waarom de titels onder de afbeeldingen viertalig zijn, in het Nederlands, Frans, Engels en Duits.

Ongeveer een maand geleden zag ik op Marktplaats een Engelstalige brochure die tot mijn verbazing dezelfde zestien afbeeldingen bevat. Op de kleurige voor- en achterzijde (identiek aan elkaar) staat: “Remembrance Amsterdam. 16 views of the town with description 1883”, de al eerdergenoemde uitgever, de prijs; ‘50 cents’ en de drukker: Tresling & Co. Lith(ografie), Amst(erdam). Voor tien euro werd ik eigenaar en toen ik het thuis ontving zag ik dat het een tekstgedeelte bevat met een beschrijving bij de afbeeldingen door Martin Kalff (1848-1897), redacteur van ’t Handelsblad’. Interessant is de mededeling op het titelblad: “For the benefit of the poor relations, left by the shipwrecked fishermen in the sea-disasters of the last month” (met nadere uitleg op de versozijde).


Uit krantenadvertenties blijkt dat deze brochure (in het Nederlands, Frans, Engels en Duits) goed verkocht want er verscheen zelfs een tweede oplage van 10.000 exemplaren!


De vissersramp van Paesens-Moddergat (Friesland) is thans geheel vergeten. Destijds werden er in heel Nederland inzamelingsacties gehouden ten behoeve van de achtergebleven nabestaanden van de slachtoffers.


Wie deze dorpen nu bezoekt treft bij de dijk een monument aan dat herinnert aan deze stormramp, die van 5 op 6 maart 1883 vele slachtoffers maakte, maar vooral in Paesens-Moddergat. Het werd op 6 maart 1958 onthuld door de Commissaris der Koningin in de provincie Friesland, Mr. H.P. Linthorst Homan (1905-1989). Op de zuil zit een stenen plaat met de onderstaande Friese tekst:

"A.D. 1883 stieken fan dit plak

109 fiskers mei 22 skippen yn sé.

Yn in swiere stoarm binne
83 man en 17 skippen bleaun.

As de dea it skip berint

Dan is der gjin ûntkommen.

O wetter, o wif elemint!

De sé hat jown, hat nommen.

1883 - 6 maert - 1958."

In het Nederlands:



A.D. 1883 kozen van deze plek

109 vissers met 22 schepen zee.

In een zware storm zijn
83 
Man en 17 schepen gebleven.

Als de dood het schip bedreigt

Dan is er geen ontkomen.

O water, o onzeker element!

De zee heeft gegeven, heeft genomen.


1883 - 6 maart - 1958.

Terug naar die wereldtentoonstelling in 1883 want in mijn verzameling zit nog een klein zeldzaam leporelloboekje (10 cm. x 7 cm.) dat ik u hier wil tonen.
Op de voorzijde staat: “Herinnering aan de Internationale Koloniale en Uitvoerhandel Tentoonstelling te Amsterdam 1883”.


De achterzijde vermeldt de prijs; 25 cent en tevens dat de graveur, drukker en uitgever Frans Schemm was uit Neurenberg, ‘Bayern’ (Franz Schemm Kunstanstalt Nürnberg).
Mijn exemplaar bevat tien gegraveerde afbeeldingen van de inzending van: Japan/Indië, China, Australië, Rusland, Beieren (toen nog een apart Koninkrijk!), Duitsland, Engeland, Frankrijk, België en Nederland. Van deze leporello bestaat een variant met dertien afbeeldingen van de diverse paviljoens en gebouwen alsmede het Rijksmuseum.






















Maar hoe zit het met mijn album “Oud Amsterdam”, met alleen die zestien afbeeldingen? 
Vermoedelijk verscheen dat niet in 1883 maar twaalf jaar later in 1895 en werd het samengesteld uit het restant van de oplage uit 1883. Waarom 1895? 
Welnu, in dat jaar was er niet alleen een tweede Wereld Expositie in Amsterdam met een compleet nagebouwd miniatuur dorp “Oud-Holland” (waarvan ik een foto leporello bezit) maar bovendien een tentoonstelling in het Panoramagebouw getiteld “Oud Amsterdam”.


Het zou mij niks verbazen als het boekje destijds bij de gelijknamige tentoonstelling verkrijgbaar was. De oorspronkelijk bijbehorende informatieve tekst kon vervallen.
De vissersramp van Paesens-Moddergat was inmiddels een vage herinnering geworden en de beschrijvingen van Martin Kalff waren gedateerd en hier en daar ingehaald door de werkelijkheid.
Zowel de oorspronkelijk viertalige uitgave uit 1883 als het vermoedelijk twaalf jaar later samengestelde album "Oud Amsterdam" kom je nog wel eens antiquarische tegen voor bedragen tussen de vijfentwintig en vijftig euro.

Mocht u - tot slot - ook nog even een kijkje willen nemen op de Amsterdamse wereldtentoonstelling van 1895, kijk dan even hier!