donderdag 30 november 2017

Tientjeswerk uit drie eeuwen

"En? Nog wat gekocht?". Is een vraag die mij menigmaal wordt gesteld als ik over boekenmarkten en antiquarenbeurzen loop. Soms knik ik bevestigend maar een enkele keer luidt het antwoord: "Nee; maar ik snuffel en koop al het hele jaar door, dus ik hoef het niet meer te hebben van dergelijke bijeenkomsten...".

Hoe ik het hele jaar doorsnuffel en koop heb ik alweer bijna vier jaar geleden beschreven in: "Sneupen 2.0, de digitale sneuper". Internet afstropen, digitaal sneupen loont en hoeft niet kostbaar te zijn!
Tijd om dat weer eens te onderstrepen met wat recente aanwinsten die tien euro per stuk hebben gekost.
Alle voorbeelden in dit stukje vond ik door op trefwoord via diverse sites te zoeken. Op die manier kom ik titels tegen die me interesseren. Sommige titels leveren weer andere nuttige zoekgegevens. Vervolgens zoek ik met behulp van de volledige titel naar achtergrondinformatie over de publicatie (via Google en de DBNL bijvoorbeeld); hoe schaars is de uitgave? (met behulp van WorldCat, de STCN) en is de vraagprijs in orde? (via Antiqbook en Boekwinkeltjes). Eventueel vraag ik aanvullende informatie op bij de verkoper.

Via Marktplaats vond ik zo niet één maar twee publicaties die nauw met elkaar te maken hebben en gezamenlijk werden aangeboden voor twintig euro. Het zijn twee jubileumboekjes die verschenen ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan in 1915 van 'de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels (VBBB)'.
Ze vormen een mooie aanvulling op het rijtje boeken over de 'vereniging met de lange naam' dat ik al hier in de kast heb staan.
Het gaat om J.M. Meulenhoff's: "Viert feest! Korte geschiedenis van de feesten en het jolijt gedurende de eerste honderd jaren uit het leven der Vereeniging" (z.p. 1915) en het zeldzamere: "Programma der feesten ter gelegenheid van het honderd-jarig bestaan van de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels te Amsterdam 11 aug. 1815 11 aug. 1915" (Haarlem, 1915).

De eerste uitgave is rijk geïllustreerd met foto's en facsimile's en de illustratie op de voorkant is rechtsboven gesigneerd door Jan Wiegman (1884-1963). De tweede uitgave, een brochure op handgeschept papier, bevat eigenlijk alleen maar een korte opgave van de inhoud het programma op 11, 12 en 13 augustus 1915 met dierentuin Artis als uitvalsbasis en de namen van de leden van de feestcommissie, commissarissen van orde, ereleden, bestuur, medewerkers, gasten en deelnemers. Het is een boekje aangeboden aan de deelnemers door de firma Emrik & Binger en Ruijgrok & Co. te Haarlem. Het bevat enkele illustraties zoals die bovenaan dit artikel alsmede een tekening van Nelly Bodenheim (1874-1951) die duidelijk is geïnspireerd op het alom bekende schilderij van Johannes Jelgerhuis (1770-1836) met het interieur van de boekhandel van Pieter Meijer Warnars op de Vijgendam te Amsterdam (1820).


Dat historisch materiaal met betrekking tot Amsterdam en Amstelland mijn bijzondere belangstelling heeft mag ik inmiddels als bekend veronderstellen. Ik was daarom in mijn nopjes met een zeer zeldzame negentiende eeuwse brochure die ik vond via Boekwinkeltjes. Alleen het Stadsarchief Amsterdam beschikt nog over een exemplaar.
De titel luidt: "De verplichte verhuizing of de onteigenden uit de Halsteeg en Oude-Doelenstraat. Een droom door J.B.", (Amsterdam, 1868). De auteur is J. Braun, waarvan mij verder niets bekend is.

Het gaat hier om een negentiende infrastructurele verbetering met als doel het door het stadsbestuur in 1595 ingestelde eenrichtingsverkeer van de Dam door de Pijlsteeg en naar de Dam door de Halsteeg te verbeteren.
Door de bebouwing aan noordzijde van de Halsteeg en Oude-Doelenstraat te slopen, waaronder het sigaren- en tabakmagazijn van Hajenius (thans gevestigd aan het Rokin 96), ontstond de huidige brede Damstraat waar tot op heden al het verkeer doorstroomt.
De brochure doet verslag van een wat wonderlijke bijeenkomst van 'medebewoners en bewoneressen van de Halsteeg en Oude-Doelenstraat, Noordzijde' die bijeengekomen zijn om van gedachten te wisselen over het genomen raadsbesluit tot sloop. Wonderlijk omdat niet de aanleiding c.q. verkeersproblematiek ter sprake komt maar allerlei andere stedelijke - en maatschappelijke veranderingen. Positieve, zoals de bouw van ruimere arbeiderswoningen en de nieuwe duinwaterleiding maar ook minder positieve, zoals het verdwijnen van kleine winkels, de opkomst van grote warenhuizen, de stijgende kosten van levensonderhoud en daarmee gepaard gaande toenemende vrouwenarbeid. De droom eindigt met een hulde aan het stadsbestuur "die met vaste hand voortgaat datgene tot stand te brengen, wat tot wezenlijk heil van de gemeente Amsterdam kan strekken".

Tot slot een curieuze achttiende eeuwse preek die ik (alweer) op Boekwinkeltjes tegenkwam: "Predikatie op den Diefstal Gepleegt aan de Roomsche Kerk van Aarlanderveen. In den Nagt tusschen den eersten en tweeden Juny 1776. Uit den mond des Predikers uitgeschreeven, gepreedikt den 9den Juny", (Amsterdam, 1776).
Theologie (antiquarisch ruim voorradig) heeft niet mijn directe belangstelling maar een fraaie Catechismus of bijzonder drukwerk zoals de 'Samaritane' (het 'dollemansboekje' van Frans Baltensz.) of de Kerst-leerrede “met volkoome uitlaating van de Letter R, zonder dat daar door de zin eenigzints verstoord wordt”, een R-lipogram van de Duitse predikant Joächim Müllner (1647-1695), zal ik zeker niet laten liggen!


De Amsterdammer Joannes Pex (1744-1814) was nog geen jaar pastoor in Aarlanderveen (thans gemeente Alphen aan den Rijn, Zuid-Holland) toen zijn statie in de nacht van 1 op 2 juni 1776 werd opgeschrikt door een inbraak in de kerk. Het zilveren vaatwerk werd geroofd en het H. Sacrament in de tuin der pastorie weggeworpen. Grote commotie!
Van het gemeentebestuur verkreeg Pex toestemming om het H. Sacrament plechtig in processie naar de kerk terug te brengen. Ter gelegenheid daarvan verscheen deze feestrede "uit den mond des predikers uitgeschreeven, gepreedikt den 9den Juny" en op 24 juli 1776 kerkelijk goedgekeurd door de Antwerpse A. de Vries, 'Licentiaet in de Godtsgeleerdheid, Canonik Gradueel, en Penitensier, Boekenkeurder'.

De predicatie werd gunstig besproken in de ‘Hedendaagsche Vaderlandsche Letter-Oeffingen…’ (Amsterdam, 1776, deel 5, 1ste stuk) en kostte volgends deze recensie bij de uitgever zes stuivers.
Er zijn in de afgelopen eeuwen diverse preken uitgegeven maar toen ik op trefwoord naar de titel zocht in de STCN bleek mij al gauw dat dit de enige gelegenheidspreek is die dit misdrijf tot onderwerp heeft.
Een bijzonder ingebonden en geannoteerd exemplaar (mogelijk het exemplaar van pastoor Pex zelf) berust in de bibliotheek van de Vrije Universiteit in Amsterdam. Daarover is in 'De Boekenwereld' (jrg. 23, 2006-2007) een lezenswaardig artikel geschreven door Hubert Vandewalle, oud-medewerkers aan de STCN.

Misdaad loont niet (zegt men), maar tweeënhalve eeuw later leverde het mij toch maar mooi een bijzondere preek op voor mijn 'private library'!

donderdag 16 november 2017

Kiekjes van Joods Amsterdam

Afgelopen zomer trok ik de stad in met het voornemen om bij de Athenaeumboekhandel op het Spui het geheel vernieuwde standaardwerk: "Geschiedenis van de Joden in Nederland" (Amsterdam, 2017) te bekijken en te kopen. Het boek ontving over het algemeen goede recensies en ik was erg nieuwsgierig naar de inhoud.

Voorafgaande aan mijn bezoek bezocht ik de naastgelegen vrijdagse boekenmarkt met een opmerkelijk resultaat maar ook desastreuse financiële gevolgen!
Ik vond daar namelijk - hoe toepasselijk! - een mooi exemplaar in halfleer van de allereerste "Geschiedenis der Joden in Nederland" (Utrecht, 1843), geschreven door mr. H.J. Koenen (1809-1874) die er in 1842 de gouden ereprijs van het Provinciaal Utrechts Genootschap mee verdiende. Een destijds duur maar baanbrekend boek waarvan zelfs een verkorte Duitse versie verscheen!
Net als u, kan ik mijn geld maar één keer uitgeven en de keuze tussen Alfa en Omega viel al gauw op de eerste.


Nieuwe boeken hebben over het algemeen de gewoonte snel goedkoper te worden en ik twijfelde er daarom geen moment aan dat ik mijn Omega binnen afzienbare tijd tegen het lijf zou lopen en vermoedelijk voor een (meer) aangename prijs. Mijn begeerte werd daarmee weliswaar op de proef gesteld maar in de tussentijd kon ik mooi mijn nieuwe aanwinst van A tot Z lezen. Daarmee was ik al geruime tijd klaar toen ik op Marktplaats een exemplaar van de jongste uitgave aantrof dat voor een luttele vijfentwintig euro naar mijn bibliotheek verhuisde. Kijk! Zo doe je dat...

De geschiedenis van de Joden in Nederland met name in Amsterdam heeft altijd mijn speciale belangstelling gehad. Ik ben vooral gespitst op boeken en brochures gepubliceerd vóór de Tweede Wereldoorlog.

Een uitgever die op dat gebied het een en ander heeft laten verschijnen is Menno Hertzberger (1897-1982). Elke antiquaar en bibliofiel kent hem natuurlijk wel en nog maar enkele jaren geleden verschenen zijn schetsmatige herinneringen onder de titel: "Boeken, veel boeken - en mensen" (Amsterdam, 2009).

Ik vond van hem wat oude uitgeversreclame die ik aantrof achterin een brochure getiteld: "Bibliographie en Historie. Bijdrage tot de geschiedenis der eerste Sephardim in Amsterdam" (Amsterdam, 1927), geschreven door S. Seeligmann en verschenen bij Hertzberger.


In het reclamelijstje met "eenige onzer uitgaven op Joodsch gebied" staan verschillende boekjes die ik bezit, zoals dat van J.S. da Silva Rosa: "Geschiedenis der Portugeesche Joden te Amsterdam 1593-1925" (Amsterdam, 1925), met het ex-libris van A.A.L. Vié en blijkens een inscriptie in 1932 geschonken aan mr. J.A. van Sonsbeeck.

Een bijzonder boekje dat in deze lijst voorkomt verdient wat extra aandacht.
Het werd geschreven door de volksrebbe van het Amsterdamse Joden-getto, dr. Meijer de Hond (1882-1943).
Zijn “Kiekjes” (I. Jodenbreestraat Waterlooplein. Amsterdam 1926), gebonden in een beige linnen band met titelopdruk en uitgeversvignet bevat geen foto’s, al zou je dat wellicht wel verwachten met zo’n titel.
Een vervolg (“Kiekjes” deel II) staat verderop op hetzelfde lijstje en zou blijkbaar in 1927 verschijnen, maar om onduidelijke heeft een tweede deel nimmer het licht gezien.


In de Telegraaf van 26 oktober 1926 verscheen een korte recensie van 'mr. I.P.' over de juist verschenen "Kiekjes" die in een nutshell de kern raakt van de lof en kritiek die het boekje kreeg.
"Met groote liefde heeft ook Dr. de Hond zijn volksgenooten lief. Hij, de bekende Amsterdamsche arme lui's-rabbi en behoeder van De Joodsche Invalide.
Zijn kiektoestel heeft De Hond op het welige en woelige Amsterdamsche Ghetto gericht, en een rijke verzameling kiekjes heeft hij daar aangelegd. Met Perets (I.L. Peretz, 1852-1915) heeft hij gemeen de toegewijde liefde, de vereering voor den arme van goed en geest voor den Chassiedisch-geloovige. Maar De Hond is waarlijk verliefd in zijn Ghetto. Daar alleen kan en wil hij ademen, werken, juichend leven. Daar stond zijn wieg, staat zijn huis, zijn werk, zijn doodsbed, en moet die van zijn kinderen en kindskinderen blijven staan. Dat is De Hond's ideologie en in zijn hart veracht en verwenscht hij elk Jodendom buiten dit Ghetto.
Perets is critisch, De Hond critiekloos. Hij gaat geheel in zijn aangebeden sujetten op. De Hond's liefde is rijk en uitbundig. Dat maakt z'n boek zoo'n groot genot te lezen - maar menig lezer zal ten leste toch in opstand komen tegen die overdreven verheerlijking van zooveel onbenullige menschen. Intusschen: het Amsterdamsche Ghetto heeft een genre-schilder in De Hond gevonden, zooals het toch tot nog toe niet bezeten heeft".

Geen foto’s dus maar 45 korte verhaaltjes (17 spelen zich af in en om de Jodenbreestraat en 28 op en rond het Waterlooplein). Stuk voor stuk momentopnamen; kiekjes van het dagelijks leven toen.
Of al mijn opnamen uit de werkelijkheid zijn? Ja! Uit de bestaande werkelijkheid? Neen! Uit wat eens bestond. Het zijn typen waarvan de meesten nu in het rijk der gedachtenis zijn”, schreef De Hond.

Achterin zit een ‘verklarende woordenlijst’, want Meijer doorspekte zijn petites-histoires met tal van Jiddische woorden die toen behoorden tot het normale repertoire in het Amsterdamse getto maar ook nog ver daarbuiten door menig Mokummer werden begrepen.
Het Amsterdamsche Ghetto is de moederschoot van het Nederlandsche Jodendom”, schreef Meijer, “Wie in West-Europa het oer-licht van de Joodsche ziel wil opvangen, moet het Amsterdamsche ghetto binnengaan”.
Vele tienduizenden Joden leefden, woonden en werkten er.
De dagelijkse werkelijkheid daar was een stuk minder romantisch dan De Hond beschreef. Talrijke gezinnen, jong en oud, woonden in kelder- of krotwoningen, vaak in donkere vochtige stegen, waar het grauwe wasgoed van gevel tot gevel hing, en het verschrikkelijk kon stinken. Men leefde in of op de rand van diepe armoede. In de talrijke vuilnishopen speelden kinderen. Loslopende honden, katten en ratten zochten er naar etensrestanten. Overdag vulden de straten zich met een druk gekrioel. Handelend, schreeuwend en bedelend volk, op weg naar huis, de sjoel of werk.

Uitzoeke maar!
Zoo je maar biedt!!
Als ik maar cente zie!!
Zoo krom ken je niet bieje!!
Kijk uit je oogen, dan raak je niet bedroge!!
Rommele maar, rommele maar, rommele maar!!
Je mot ze maar proeve!!
’t Binne de laatste!!
Weg d’r mee!!


Men wist niet beter of het zou altijd zo blijven…


Het Waterlooplein anno 2017.
Het plat-Amsterdamse straatgeroep heeft plaatsgemaakt voor het Engels van toeristen op zoek naar het Rembrandthuis. De sfeer wordt bepaald door winkelketens, in de Jodenbreestraat, de rommelmarkt op het Waterlooplein en de megalomane bebouwing van het Amsterdamse stadhuis, de Stopera.
Het Amsterdamse getto is weg, haar voormalige inwoners opgeslokt door de Duitse concentratiekampen en de oude bebouwing geheel (Vlooienburg) of grotendeels gesloopt.
Slechts enkele gebouwen zoals de Portugese Synagoge met zijn beroemde bibliotheek Ets Haim getuigen nog van een roemrijk Joods verleden alsmede vergeelde afbeeldingen en stemmen van ver weg op papier.


Stemmen zoals die van Meijer de Hond die in september 1942 zestig werd en het jaar daarop in juli met zijn vrouw en kinderen vanuit kamp Westerbork op transport ging naar de Duitse vernietigingskampen. Na drie dagen bereikte hij zijn dodelijke eindbestemming, Sobibór (Polen), ver van zijn geliefde Mokumse getto.

Zijn ‘Kiekjes’ ligt hier open voor me.
Of ze bekeken zullen worden? Door hen, die het ghetto niet vergeten willen met liefde. Door hen, die het willen leeren kennen, met nieuwsgierigheid. En als de laatsten meer zullen zijn dan de eerste, dan zullen zij, die zich voor hun ghetto schamen, ze ook weer gaan bekijken, met spijt over zichzelf en naar ik hoop met… bekeering!”.

Ik lees en herlees.
Vaak uit nieuwsgierigheid, soms met schaamte, soms met spijt maar altijd met… liefde.

vrijdag 27 oktober 2017

Dreyfus

Ik bewaar nog altijd ergens mijn oude bewijskaartjes van afgelegde tentamens van mijn studie. Zo weet ik dat ik begin januari 1987 een mondeling tentamen Nieuwste Geschiedenis deed bij docent Bauke Marinus over twee historische persoonlijkheden. Adolf Hitler en Alfred Dreyfus (1859-1935).
De eerst kwam - zover ik mij kan herinneren - nauwelijks ter sprake maar over de tweede heb ik een klein uurtje met Bauke zitten bomen met als resultaat een acht.

De Dreyfus-affaire aan het einde van de negentiende eeuw, over het vermeende verraad van een Joods militair officier, legde een diepgeworteld antisemisme bloot in Frankrijk en verscheurde de natie destijds tot op het bot. Ook internationaal zorgde het verhaal trouwens voor de nodige beroering en ontroering.

Dat alles schoot even door mij heen toen ik een aantal weken geleden op het Waterlooplein bij Jos Albers (wie anders?) voor één euro een pamflet kocht van Émile Zola (1840-1902): “Lettre a la Jeunesse“ (Paris, 1897).
Wie Dreyfus zegt, zegt Zola. Hij was immers de grote pleitbezorger van Dreyfus’ onschuld en tevens auteur van de beroemdste publicatie van de hele affaire: “J’accuse” (op de eerste twee pagina’s van l’Aurore van 13 januari 1898).
Mijn pamfletje, Zola’s eerste publicatie met betrekking tot Dreyfus, verscheen nog vóór die beroemde open brief aan de Franse president Félix Faure (1841-1899) en dat interesseerde (en verwonderde) mij.
Originele exemplaren van dit pamflet worden af en toe aangeboden maar er bestaan ook makkelijk verkrijgbare moderne herdrukken van.
En nu we het toch over pamfletten hebben… Lees ook vooral het artikel van Boudewijn Büch in Maatstaf (jrg. 31, 1983): “Dreyfus in pamfletten uitgevochten?

Alfred Dreyfus; patriot, man van eer, op en top Frans legerofficier (maar Jood) werd ongewild de martelaar van de negentiende eeuw en - na het proces van de eeuw - veroordeeld tot verbanning naar het Duivelseiland (Île du Diable/Frans Guyana).
Vijf jaar later, na zijn gratie (1899) en nog vóór zijn officiële rehabilitatie (1906) zette hij zijn herinneringen op papier in: “Cinq années de ma vie” (Paris, 1901).
Het verscheen hier nog in hetzelfde jaar in achttien aflevering van tien cent per stuk, bij de firma Cohen & Zonen onder de titel: “Vijf jaren van mijn leven (Cinq années de ma vie) 1894-1899” (Amsterdam, 1901). Compleet en gebonden in een fraaie stempelband (van Giltay & Zoon in Dordrecht) kostte het boekje destijds twee gulden en vijfentwintig cent.

De Nederlandstalige uitgave was niet de enige vertaling die in 1901 verscheen.
Het boekje verscheen ook in het Italiaans (“Cinque anni della mia vita“), Spaans (“Cinco años de mi vida“), Hongaars (“Öt év életemből : szenvedéseim az Ördögszigeten töltött rabságom alatt : Dreyfus sajátkezű rajz- és kézírásaival”), Engels (“Five years of my life”), Duits (“Fünf Jahre meines Lebens”), Noors (“Fem Aar af mit Liv“), Pools (“Pięć lat mojego życia“) en zelfs Ladino (“סינקו אנייוס די מי ב׳ידה / Sinḳo anyos de mi vidah”)!
Dat zegt wel iets over de aandacht die de Dreyfus-affaire destijds wereldwijd trok.

Het boekje van Dreyfus is trouwens een wat onevenwichtige samenstelling van diverse onderdelen bestaande uit zijn verhaal opgedragen aan zijn kinderen, dagboekfragmenten, brieffragmenten van - en aan zijn vrouw (saai, want zwaar gecensureerd!) en andere brieven en stukken (waaronder de tekst van het belangrijkste bewijsstuk van zijn schuld; het beruchte zogenaamde ‘borderau’). Daarnaast bevat het een aantal stukken geschreven door Émile Zola (“Artikel van Emile Zola in de ‘Figaro’ van 1 december 1897. Het syndicaat”, “Verklaring aan de jury” (1898), “Het vijfde bedrijf” (1899), en een “Brief aan mevrouw Dreyfus” (1899).
Overigens is de Nederlandse uitgave van Dreyfus: “Cinq années de ma vie” vrij schaars. Momenteel biedt geen enkel antiquariaat het boekje aan, dat ik ooit voor minder dan tien euro kocht.

Uiteraard verschenen er ook fantasievolle, zwaar geromantiseerde verhalen. De meest bekende titel kwam ik alweer enige tijd geleden tegen in mijn kringloop. Het gaat om: “Dreyfus. De Banneling op het Duivelseiland” (Amsterdam, 1931), een colportageroman bestaande uit honderddertig delen (tien cent per stuk)!
Het is een vertaling uit het Duits van: “Dreyfus. Unschuldig getrennt” (Dresden, 1931), geschreven door Eugen von Tegen, een pseudoniem van Marie Blank Eismann (1890-), wiens Keizerin Sissi-romans de grondslag vormden voor de later zo succesvolle Sissi films met Romy Schneider (1938-1982) in de hoofdrol.


Een ander recent verkregen Dreyfus-item in mijn bibliotheek is voor zover ik kon nagaan alleen nog ter inzage in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Het gaat om het speciale “Dreyfus-Nummer van de Wereldkroniek, bevattende: De geschiedenis van de Dreyfus-zaak van den aanvang af, met talrijke Portretten en Illustratiën” (Rotterdam, 1899).
De Wereldkroniek (1894-1970) was een familieblad, door de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag omschreven als een, “een kruising avant la lettre tussen Panorama, Privé en Vorsten”.
Wat deze vroege zwart-wit 'glossy' op groot formaat (41.5 cm. x 30 cm.) bijzonder aantrekkelijk maakt zijn de overvloedige illustraties (portretten, plattegronden tekeningen, facsimile’s etc.).
Op de voorzijde staat de bekende portretfoto van Dreyfus die model stond voor het getekende portret op de eerder aangehaalde Nederlandse uitgave van Cohen & Zonen.


Het blad bevat vijf hoofdstukken; I. Dreyfus, II. Esterhazy (spion en de werkelijke dader in deze affaire!) en Henry, III. Zola, IV. Luitenant-Kolonel Picquart, V. Herstel van recht?, en een chronologische lijst van gebeurtenissen (20-25 september 1894) t/m 7 augustus 1899, met hier en daar niet altijd even zorgvuldige of juiste informatie).

Omdat het verscheen nog voor het revisieproces in Rennes, waar Dreyfus opnieuw schuldig werd bevonden (maar het pardon aanvaarde van de Franse president Emile Loubet), kwam de Wereldkroniek in oktober 1899 met een aanvullend Dreyfus-nummer “dat het revisieproces te Rennes, de hernieuwde veroordeling van kapitein Dreyfus en aanverwante gebeurtenissen met talrijke portretten en afbeeldingen geeft”.
En! Ik lees het goed:
Voor hen, die het 1ste nummer bezitten, is het zeker een begeerde aanvulling”.
Dat wordt nog even verder snuffelen dus...!

vrijdag 13 oktober 2017

Een oude gewoonte


Op de laatste antiquarenbeurs in het Marriott Hotel heb ik vooral veel gekeken en gepraat.
Gekocht heb ik niets... hoewel...
Ik sprak even met Arine van antiquariaat Van der Steur en sprak af dat ik haar zou mailen met wat vragen.
Eén daarvan was de vraag of zij beschikten over het portret van Willem Bilderdijk (1756-1831) door Jan Hulstkamp (1759-1786) uit 1786, met gedicht van Jan Willem Kumpel (1757-1826) wiens lot zo dramatisch verbonden was met Bilderdijk! Het antwoord was positief, er waren zelfs meerdere exemplaren, en één daarvan kwam mijn kant op.
Inmiddels heb ik het portret ontvangen en toegevoegd aan mijn bijzondere exemplaar van "Mijn Verlustiging" (Leiden/Amsterdam, 1781), waarover ik hier schreef. Trouwe lezers van mijn blog weten dat ik dat wel vaker doe met portretgravures en daarom leek het me aardig daarover iets meer te vertellen.

Anders dan vrijwel alle moderne industrieel vervaardigde uitgaven van tegenwoordig was het oude (met de hand vervaardigde) boek nooit standaard.
Tekst, illustraties en band waren aparte onderdelen met hun eigen vaklieden (drukker, graveur, binder). Illustraties werden bovendien door uitgevers vaak gebruikt voor verschillende titels. Daarom vinden we bijvoorbeeld portretten uit Jakobus Kok: “Vaderlandsch Woordenboek (Amsterdam, 1785-1799) ook terug in de "Vaderlandsche Historie..." van Jan Wagenaar (1709-1793).
Een goed voorbeeld van een uitgave die in tal van variaties door de uitgever werd aangeboden (en dan nog door de koper zelf kon worden aangevuld en verrijkt zoals u verderop kunt lezen) is de achttiende eeuwse Amsterdamse stadsgeschiedenis van Jan Wagenaar.

Uitgever en koper bepaalden dus uiteindelijk hoe een boek er kwam uit te zien. Het verrijken van boeken door het toevoegen van (extra) portretten, kaarten of afbeeldingen is in de boekenwereld en bibliofilie een oude gewoonte (NB. lees ook mijn: "Een boek naar eigen smaak").
Engelse boekenvrienden praten dan over een ‘grangerized copy’ naar James Granger (1723-1776) en sommige van zijn navolgers als de Britse Alexander Meyrick Broadley (1847-1916), wiens rijke bibliotheek tal van boeken kende voorzien van honderden extra illustraties, waren daar bepaald handig in!

Voorbeelden van oude uitgaven die door een vorige (vaak de eerste) eigenaar werden verrijkt bevinden zich ook in mijn collectie.

Een zeventiende eeuws voorbeeld is het ingekleurde portret van Pieter Corneliszoon Hooft (1581-1647) door Reinier van Persijn (ca. 1614-1668), naar een schilderij van Joachim von Sandrart, en met een latijns gedicht van Casparus Barlaeus). Het werd door een vorige bezitter toegevoegd aan de eerste druk van: "Neederlandsche Histoorien, Sedert de ooverdraght der Heerschappye van Kaizar Karel den Vyfden, op Kooning Philips zynen zoon" (Amsterdam, 1642). Bijzonder is dat het contemporain door een goede 'afsetter' werd ingekleurd (let op de glanseffecten in de zwarte mantel en de roze wangetjes!) en dat is iets dat je eerder en vaker tegenkomt bij oude topografische kaarten en historieprenten.

Een ander achttiende eeuws voorbeeld in mijn boekenkast is een los vierde deel (groot folio) van de eerdergenoemde stadsbeschrijving van Jan Wagenaar. Behalve de gebruikelijke platen heeft de koper vier grote portretgravures en acht historieprenten vooral met betrekking op gebeurtenissen in 1787 extra laten inbinden. Verschillende daarvan heb ik eerder besproken zoals het portret van de dappere burger-kapitein Abraham Valentijn uit 1787, het portret van de Amsterdamse burgervader mr. Egbert de Vrij Temminck (1700-1785) en vier afbeeldingen (proefdrukken) van de beruchte begrafenis van de Oranjegezinde Doelist Daniel Raap in 1754.


Maar zoals ik in de inleiding al schreef voeg ik dus ook zelf regelmatig portretten toe aan mijn oude boeken. Dat kan op verschillende manieren.
Bijvoorbeeld; het portret van Jan Fredrik Helmers (1767-1813) door Philippus Velijn (1787-1836), dat ik kocht voor mijn bijzondere uitgave van de "Hollandsche natie in zes zangen" (Den Haag, 1812), is als apart blad tussen de blanco bladen van het voorwerk gezet (met behulp van wat boekbindersstijfsel).
Datzelfde lukte mij met het portret van Adriaan Kluit (1735-1807) niet!
Het formaat van zijn: "Historia Critica Comitatus Hollandiae et Zeelandiae ab Antiquissimis Inde Deducta Temporibus” (Middelburg 1777-1782)", waaraan ik het toevoegde, is immers veel groter dan de portretgravure van Ludwig Gottlieb Portman (1772-1828). Daarom zit zijn portret geplakt op de binnenzijde van het voorplat.


Dat laatste deed ik ook met het portret van Robert Hennebo (1685-1737) door Christian Friedrich Fritzsch (1719-voor 1774) dat ik toevoegde aan de "Verzamelde dicht-werken van Robert Hennebo” (Diverse plaatsen, 1767), waarover u hier kunt lezen. Dit portret werd destijds los verkocht voor zes stuivers, “Om door de liefhebbers by de GEDICHTEN en SCHIM van HENNEBO te kunnen gevoegd worden” (Leydse courant van 6 mei 1767). Een oude gewoonte dus, dat toevoegen van portretten!


Een portret dat nadrukkelijk wél voor een specifieke uitgave werd vervaardigd is de afbeelding van Johannes Florentius Martinet (1729-1795) door Reinier Vinkeles (1741-1816) uit 1778. Op de gravure is rechtsboven 'IV.D. Pl.7' te zien. Het is een verwijzing naar het vierde deel (plaat 7) van zijn “Katechismus der natuur" (Amsterdam 1778-1779). Ik plaatste mijn exemplaar in zijn "Huisboek voor vaderlandsche huisgezinnen” (Amsterdam, 1793), zoals u hier kunt lezen.


Twee publicaties in mijn bibliotheek waarover ik nog niet schreef maar waaraan ik ook auteursportretten toevoegde zijn:
A. De afbeelding van Mr. Jacobus Scheltema (1767-1835) in 1818 gegraveerd door Jacob Ernst Marcus (1774-1826) aan zijn: "Geschied- en Letterkundig Mengelwerk" (Amsterdam, 1818-1836) en:
B.  De afbeelding van Simon Styl (1731-1804), door eerdergenoemde Reinier Vinkeles, aan: "De opkomst en bloei der vereenigde Nederlanden" (Amsterdam/Harlingen, 1778). 


En nu dus, als voorlopige laatste, Bilderdijk.
Wederom Bilderdijk moet ik zeggen, want het is mijn tweede portret van deze 'gefnuikte arend' dat ik aan een oude uitgave toevoeg. Zoals ik in: "Collectievorming" beschreef heb ik een ander Bilderdijk-portretje, gegraveerd in 1819 door Hendrik Willem Caspari (1770-1829), geplakt in zijn vroeg negentiende eeuwse bewerking van: “Joannes Antonides v.d. Goes, Gedichten, met ophelderende aanteekeningen” (Leiden, 1827-1836).


Dat portretje zou trouwens, evenals vele andere portretten van Bilderdijk, bepaald misstaan hebben in zijn erotische debuut "Mijn Verlustiging". Wat mij betreft kwam alleen het portret van Jan Hulstkamp daarvoor in aanmerking al was het maar omdat Bilderdijk dit portret typeerde als; "een Wildeman, het dolhuis uitgevlogen".
Bilderdijks weinig vleiende opmerking werkte voor mij natuurlijk als een aanbeveling! Immers; alleen die Bilderdijk schreef erotische poëzie en niet de man die we op talrijke andere portretten zien als geleerde advocaat, gezaghebbend taalkundige of eerzaam schrijver.


Hieruit blijkt wel dat ik niet elk portret zo maar aan een uitgave toevoeg. Het moet zoveel mogelijk contemporain zijn en gevoelsmatig ‘passen’. Zo heb ik nog geen auteursportret kunnen plaatsen in mijn exemplaar van: "Gedichten, van J. Antonides vander Goes” (Amsterdam, 1685).
Niet omdat de afbeelding van Antonides van der Goes niet verkrijgbaar is, vooral de prent gegraveerd door Pieter van Gunst (ca. 1659-1731) is antiquarisch ruim voorradig, maar omdat ik uitsluitend de afbeelding gegraveerd door Jacobus Gole (1665-1724) vind passen. Alleen dat portret komt nog wel eens voor in eerste druk uit 1685 terwijl het portret door Van Gunst pas verschijnt in de derde druk van al zijn gedichten (1714)

Het toevoegen van extra illustraties aan oude boeken, waaronder portretten, mag dan een oude gewoonte zijn; ik ken (nog) geen andere bibliofiele medeverzamelaars die doen wat ik doe. U wel?

vrijdag 29 september 2017

Om de eer van een heer...

Toen ik op een zaterdagmorgen Amsterdam introk voor wat kleine boodschappen stapte ik zoals gewoonlijk uit bij de metrohalte Waterlooplein.
Van daaruit beloop ik vaak zo'n beetje de hele binnenstad maar bovendien kan ik dan gelijk even snuffelen in de boekenkraam van Jos Albers op het plein.

Ik had ditmaal succes. Voor een tientje kocht ik een compleet ingebonden eerste jaargang van "De Amsterdamsche Gids" (Amsterdam, 1925/1926), "Een maandschrift, dat door populaire geïllustreerde beschrijvingen van verschillende Gemeentebedrijven en -instellingen een nauwer contact zal trachten te bewerkstelligen tusschen de ingezetenen en genoemde diensten en bedrijven". Losse afleveringen daarvan kom ik regelmatig tegen en ook antiquarisch worden ze her en der aangeboden. Sommige themanummers zijn collectoritems geworden, zoals het nummer dat ik eerder noemde in mijn blog "Saartje Wip en de Stadsreiniging".
Een complete eerste jaargang verzamelen wordt steeds moeilijker en dat was al zo tijdens de verschijning zo blijkt uit een mededeling in het laatste, twaalfde, nummer (blz. 10).
"Herhaaldelijk ontvangen wij aanvragen tot nalevering van reeds verschenen nummers van De Amsterdamsche Gids, ter completering van den jaargang.
Tot onze spijt kunnen wij hieraan niet voldoen voor zoover het de nummers 1 en 6 betreft, aangezien deze geheel zijn uitverkocht. Doch wellicht zijn er onder onze lezers, die deze nummers zouden willen afstaan, anderen ten gerieve. Wij doen hierbij een beroep op hun welwillendheid".

Met mijn eerste vondst in de hand snuffelde ik wat verder in de bakken met diverse folders en brochures.
Ook daar had ik geluk!
Al snel kwam ik twee interessante publicaties tegen voor mijn Twitter project "50 Bizarre Brochures" (dat zullen er ondertussen wel meer zijn!).
De grote verrassing volgde tot slot. Een brochure in een blinde geel papieren omslag...

Nieuwsgierig bladerde ik er wat doorheen en zag dat het geen titelpagina had maar voornamelijk bestond uit wat bijlagen (A t/m E).
De eerste elf bladzijden vormen een soort inleiding en de auteur valt meteen met de deur in huis:
"Maandag 18 Februari 1884 hebben twee Heeren op mijn verzoek het volgende den Kapitein ter zee E.L. Baron van Heeckeren van Waliën doen weten:
'De heer Stratenus van Voshol verklaart, dat hij eerst na ernstig nadenken en slechts na het lezen van het proces verbaal der zitting van den Raad van Eer op Zondag 17 Februari, de provocatie van Baron van Heeckeren van Waliën heeft aangenomen. Dat hij zich het recht voorbehouden heeft, om zowel voor als na het duel de stukken te publiceren, waaruit ten duidelijkste blijkt, dat de Kapitein ter zee Baron van Heeckeren van Waliën is een eerlooze woordbreker en een leugenaar en derhalve onwaardig den rang te bekleeden, dien Baron van Heeckeren van Waliën in de Maatschappij inneemt'".

De inleiding is getekend: STRATENUS VAN VOSHOL en direct daaronder staat:
"Dit stuk is voor den aanvang van het duel naar de post gebracht"!

Nee maar, een duel, hoe romantisch en wat bizar!


Thuisgekomen begon ik eerst met het zoeken naar andere exemplaren. Ik vond via WorldCat een exemplaar in de Utrechtse Universiteitsbibliotheek en via Google nog twee exemplaren in familie-archieven.
De brochure, feitelijk niet meer dan een particulier gedrukt bundeltje verklaringen en vergaderverslagen, wordt antiquarisch nergens aangeboden (en de kans dat dit ooit zal gebeuren lijkt mij onwaarschijnlijk klein...)

Toen ik mij in de stukken begon te verdiepen kwam ik al gauw tot de ontdekking dat de gebeurtenissen destijds ook de krant hadden gehaald. Niet als een negentiende eeuws drama maar meer als een aristocratische klucht.

Het begon allemaal als een meningsverschil over een speelschuld tussen twee respectabele leden van de chique sociëteit 'Sic Semper' in Utrecht.
De man op het portret hier links, L.W.A.G.M. Stratenus van Voshol (1848-1896), rijk door zijn vrouw, en de wat minder bemiddelde commies der posterijen J. van Nahuijs hadden op een zomerse avond (6 juni 1883) verschillende potjes écarté gespeeld. Ze waren gezellig met zijn tweeën, bedienden noch vrienden waren er bij aanwezig.
Of ze bij hun spel een glaasje te veel hadden gedronken vermeldt de geschiedenis niet maar feit is dat Van Nahuijs zich later pertinent herinnerde dat hij die avond vijftienduizend gulden had gewonnen terwijl Stratenus van Voshol in de veronderstelling verkeerde nog vierduizend achthonderd gulden van Nahuijs te krijgen! Wie van de twee was nu de schurk?


De zaak werd voorgelegd aan de Raad van Eer van de sociëteit waarin ook kapitein ter zee E.L. Baron van Heeckeren van Waliën (1833-1891) zitting had. Die was zo pertinent overtuigd van de onschuld van Van Nahuijs dat hij, nog voordat de Raad zich er over had gebogen, een privébezoek bracht aan Stratenus van Voshol.
Daar vertelde hij hoe radeloos Van Nahuijs was. Die zou zich nooit houden aan een voor hem ongunstig uitspraak en alles uit de kast trekken om Stratenus van Voshol te beschadigen. De Baron verklaarde voorts dat de vergissing onmogelijk kon liggen bij Van Nahuijs. Die had immers in de koets op weg naar huis een korte notitie gemaakt van de openstaande schuld. Als Stratenus van Voshol nou maar toegaf en betaalde dan zouden de heren hem wel de hand boven het hoofd houden.
"Toe, Stratenus, denk er nog eens over. Ik vind het zoo verschrikkelijk; waarlijk, je weet niet wat je boven je hoofd hangt. Je arme ouders, voor wie ik zulk eene achting heb; je lieve vrouw, die nog zoo jong is; denk er nog eens over". Tevergeefs!
"Hoe is het mogelijk, gij in gemoede overtuigd kunt zijn, ik om een ongelukkige 15.000 gulden mijn eer en naam in de waagschaal zoude gesteld hebben. Neen, duizendmaal neen, ware ik ze werkelijk schuldig, liever het dubbele betaald dan mijn naam in zulk eene vuile geschiedenis te zien genoemd".

Even te uwer informatie. Een stoker op een dieselgemaal verdiende toen één gulden vijftig per dag! Omgerekend in koopkracht is die vijftienduizend gulden van toen nu meer dan €187.000,- euro! Voorwaar, de eer van een heer was toen nog wat waard!

Enfin, de Raad van Eer kwam op 30 januari 1884 bijeen, zonder de Baron van Heeckeren van Waliën, die was uitgetreden om alle schijn van partijdigheid te vermijden. Hoe dan ook het resultaat was voor alle partijen uiterst onbevredigend.
De Raad van Eer vond de argumenten van Stratenus van Voshol sterker en was van mening dat "de heer Van Nahuijs in zijne correspondentie niet altijd even nauwkeurig en begrijpelijk" was, en "dat zijne houding èn tegenover zijne wederpartij èn tegenover ons niet altijd even correct, dat zijne loyaliteit in 't algemeen niet altijd geheel boven alle verdenking is geweest, dat zijne nauwkeurigheid in het vermelden der feiten soms te wenschen overliet". Desondanks verklaarde men zich buiten machte om een besliste uitspraak te doen. Kortom; men dorst zijn vingers er niet aan te branden.
Einde verhaal denkt u nu.

Maar nee, als een donderslag bij heldere hemel verscheen tien dagen later een publicatie van de Baron getiteld: "Een woord naar aanleiding der uitspraak van den Raad van Eer in zake de Heeren L.W.A.G.M. Stratenus van Voshol en J. van Nahuijs gehouden in de Societeit 'Sic Semper' den 30 Januari 1884". Daarin ging hij in op de uitspraak, gaf zijn mening en zienswijze op verschillende punten en bleef bij zijn overtuiging. De affaire lag op straat en het klootjesvolk smulde! De Baron zou er al gauw spijt van krijgen...

Op 15 februari 1884 komt de Raad van Eer wederom bijeen. Men is op zijn zachtst gezegd niet blij met de openbare toelichting van de Baron! Die verklaart daarop dat hij de Raad van Eer niet verdenkt van enige partijdigheid en dat hij desgewenst bereid is om dat schriftelijk vast te leggen. Zo geschiedt.
Ook Stratenus van Voshol is in de vergadering aanwezig en die legt een explosieve verklaring af!
Een eerder door hem gedane bewering ten nadele van Van Nahuijs over diens talrijke schulden en geldnood wordt inmiddels ondersteund door een betrouwbare verklaring ontvangen van ene jonkheer X.
Die bevestigt dat zijn kleinkind op school het elfjarig zoontje van de Baron (!) tegen één van zijn schoolkameraadjes heeft horen vertellen dat ... zo bedroefd was dat hij het geld niet aan Van Nahuijs had betaald omdat ... er zevenduizend gulden van zou hebben gekregen!
Algemene verbijstering!
Het privébezoek van de Baron aan Stratenus van Voshol, ja, diens hele verdere handelswijze in de speelschuld affaire kwamen hiermee in een bijzonder en obscuur daglicht te staan!
De Baron, waarschijnlijk enigszins rood aangelopen, verklaart daarop terstond dat hij zijn geschrift niet zou hebben geschreven en uitgegeven als hij eerder op de hoogte was geweest van deze nieuwe informatie.
Een eclatante overwinning voor Stratenus van Voshol, nietwaar?
Ja, die dacht dat toen ook, maar hij interpreteerde de verklaring anders en vertelde verschillende personen dat de Baron aan hem zijn excuses had gemaakt...

De volgende dag is Stratenus van Voshol weer present op de sociëteit 'Sic Semper'. Ditmaal speelt hij een leuk partijtje whist met de heer R. van Dam (lid van de Raad van Eer). Terwijl beide heren zich verdiepen in hun spel komt plotseling de Baron binnenlopen en zegt:
"Mijnheer Stratenus, je bent een leugenaar, je hebt gezegd, dat ik excuses gemaakt had, daar is geen woord van waar. Je bent een gemeene leugenaar. Ik heb gisteren alles teruggenomen, om den naam te sauveeren van iemand die mij lief en dierbaar is. En nu zeg ik je ook, dat jij schuldig zijt en Nahuijs onschuldig is. En nu kan je er van krijgen, wat je er van hebben wilt. Ik laat mij hier schrappen, want op eene Sociëteit, waar dergelijke menschen getolereerd worden als u, bedank ik te komen".
Schandaal compleet!


Op 17 februari komt de Raad van Eer bij elkaar.
Tussen de Baron en Stratenus van Voshol komt het niet meer goed, beiden volharden in hun standpunten en herinneren zich hun privégesprek anders. Had Stratenus van Voshol toen wel of niet gezegd over het compromis van de Baron te zullen nadenken? Had de laatste hem toen wel of niet voor een man van eer gehouden en hem als bewijs daarvan de hand geschud?
De vergadering wil zich er (wederom) niet aan branden en de Raad van Eer besluit het verhaal laconiek met de opmerking dat zij haar taak om tot een uitspraak te komen in het geschil tussen Van Nahuijs en Stratenus van Voshol als beëindigd beschouwt.
Zoals u al wist is daarmee de kous niet af. Stratenus van Voshol eist genoegdoening.


Op maandag 3 maart troffen de heren zich, netjes gekleed en vergezeld door hun secondanten, in de bosrijke omgeving bij de pleisterplaats Huis ter Heide aan de Amersfoortse straatweg.
Jasjes werden uitgetrokken, pistolen overhandigd en partijen namen hun positie in; ruggelings op vijftien passen afstand van elkaar. Zweetdruppeltjes glinsterden in de zon...
Een droog commando klonk; 'één, twee, drie...'.
Beiden draaiden zich gelijktijdig om en vuurden. Luide schoten weerklonken door de verstilde natuur...
Vogels vlogen verschrikt op en nieuwsgierigen snelden toe. Welk drama, welk bloedbad voltrok zich daar?

Geen!

Duelleren was sinds 1881 in Nederland verboden. De etiquette, die deze mannen van eer hoog in het vaandel hielden, maakten het vloeien van bloed onmogelijk.
Neen, beiden schoten voor de vorm en beiden schoten expres mis!
Een Nederlands Wellington-Winchilsea duel in optima forma, maar hun eer was gered!

En Van Nahuijs? Die kreeg vijf dagen na het duel eervol ontslag en verdween uit beeld.


Nasmullen?
Lees het onderstaande artikel (van 9 maart 1884) in de Nieuwe Tilburgsche Courant  of het komisch ironische stuk in de 'De Groene Amsterdammer' van 9 maart 1884.

vrijdag 15 september 2017

Zelf dokteren; de volgende stap...

In mei 2013 schreef ik "Zelf dokteren" dat zich, volgens mijn blogstatistieken, nog steeds mag verheugen in een grote populariteit.
Zoals bekend komen niet alle oude boekjes en brochures ongeschonden tot mij (of tot u!).
Elke nieuwe aanwinst wordt thuis eerst gecontroleerd op scheuren, vlekken en andere kleine eenvoudige defecten die ik vervolgens zelf herstel. Met de simpele tips die ik destijds gaf in "Zelf dokteren" kan iedere leek die handig is zonder risico's aan de slag.

Ik klungel niet graag aan oude boeken en daarom moet bij de aanschaf altijd de kwaliteit leidend zijn en niet de vraagprijs. Anders gezegd; ik betaal liever wat meer voor een goed exemplaar dan heel weinig voor hetzelfde boek met talrijke defecten.
Mijn volgende stap in het 'zelf dokteren' liet ik over aan het toeval en dat confronteerde mij een paar weken geleden met een nieuwe aanwinst waarvan de boekband uit elkaar lag. Nu werd me duidelijk wat mijn volgende stap zou zijn. Ik zou voor het eerst proberen een boekbandje compleet te renoveren. Hieronder beschrijf ik mijn werkwijze.
Doe er uw voordeel mee... of niet!

De uitgave waar het om gaat is vrij zeldzaam maar kostte me nog geen veertig euro.
De titel is: "Liefdadigheid te Amsterdam. Overzigt van al hetgeen er in Amsterdam wordt verrigt ter bevordering van de stoffelijke, zedelijke en godsdienstige belangen, voornamelijk der minvermogenden en behoeftigen. Uit echte bronnen bijeengebragt door N.S. Calisch". (Amsterdam, 1851). Nathan Salomon Calisch (1819-1891) was een onderwijzer en journalist die verschillende lexicografische werken uitgaf.
Wie het dagelijks leven van de onderste bevolkingslagen in de hoofdstad in de eerste helft van de negentiende eeuw goed wil leren kennen (van de 225.000 inwoners in Amsterdam in 1850 waren er ruim 60.000 afhankelijk van bedeling!) is Calisch boek een ware 'fundgrube'.
Hij geeft een gedetailleerd, vaak historisch, overzicht van honderden particuliere en gemeentelijke (liefdadigheids)instellingen. Vele hadden een vroeg negentiende eeuwse oorsprong, andere waren toen Calisch zijn boek schreef nog maar net begonnen. Het merendeel is inmiddels uit het collectief geheugen verdwenen. Zijn publicatie bevat behalve een titelillustratie (het Nieuwe Werkhuis, thans dr. Sarphatihuis in de Roeterstraat 2 te Amsterdam) diverse tabellen waarvan enkelen uitslaande.

In de 'Vaderlandsche Letteroefeningen' van 1852 verscheen een bespreking van zijn uitgave waaruit blijkt dat het boekje destijds vierenhalve gulden kostte, een niet gering bedrag als we bedenken dat bijvoorbeeld een metselaar toen ongeveer één gulden twintig per dag verdiende!
Een bibliotheekstempel op de titelpagina verraadt dat mijn exemplaar een doublet (dubbel exemplaar) is uit de 'Bibliotheek Amsterdam'. Het boekje werd gebonden in een eenvoudige negentiende eeuwse halflinnen band met grauwgrijze kartonnen platten.

De rug van de band zit vast(geplakt) op het nog stevige boekblok. Opnieuw inbinden, een vak apart, is dus niet nodig. Het voorplat is losgekomen van de rug en het achterplat zit nog net vast met twee touwtjes.
Ik besloot om het voor- en achterplat met een strook lichtbruin boeklinnen over de oude halflinnen rug geplakt vast te zetten en daarna beiden kartonnen platten aan de buitenzijde met origineel negentiende eeuws marmer te beplakken. Vervolgens zou ik aan de binnenzijde de strook omgeslagen linnen van de rug en de rand sierpapier van de platten wegwerken door een nieuw zuurvrij blad papier te plakken op de 'paste-down endpaper' (het gele blad links dat vast zit op de binnenzijde van de platten) en het gele blad rechts, de 'free endpaper', die komt voor de eerste 'Franse' titelpagina).
Op die manier wordt meteen de aansluiting van de platten op het boekblok aan de binnenzijde hersteld. Tot slot zou ik de hoeken van de platten met linnen te bekleden.

Een professioneel boekbinder en restaurator die ik raadpleegde over mijn voorgenomen handelwijze schreef mij: "Als het mijn boek zou zijn zou ik geen sierpapier op de platten plakken. Verder zou ik afhankelijk van het gebruik (weinig of veel) van dit boek de voor- en achterplatverbinding herstellen met dik Japans papier of parachutelinnen. Dit is beide sterk en dun. Ikzelf zou de oude rug laten zitten. Een inkeping maken onder de vastzittende rug en in het plat (met een scherpe scalpel) en dan in die inkeping een stukje verbindingsmateriaal lijmen. Je behoudt dan dus de originele kaft. De buitenkant van de kneep moet je dan sluitend maken met op kleur gemaakt Japans papier".
Zijn oplossing is professioneler en streeft naar het zoveel mogelijk behouden van de originele band en het oorspronkelijke karakter van het boek. Voor 'dokterende' amateurs op dit gebied (en daartoe reken ik mijzelf) lijkt het mij echter een stuk moeilijker uitvoerbaar dan wat mij voor ogen stond. Toegegeven; mijn werkwijze gaat meer de kant op van een 'nieuwe' band, ook al gebruik ik oud marmer, en daarom praat ik ook liever over renoveren en niet over restaureren! 

Mijn eerste stap was materiaal halen bij de firma Vlieger in Amsterdam. Ik kocht daar wat zuurvrij papier voor het herstel van de binnenkant en twee kleuren boekbinders-linnen (wordt verkocht per halve meter) voor de rug. Totaal was ik ongeveer zestien euro kwijt.
U zit hier welke materialen en gereedschap ik gebruikte.

Ik begon met het verlijmen van een strook boekbinderslinnen van 30 cm. bij 9 cm. over de oude rug (en ter weerszijde ca. 2.5 cm. over de platten) en liet dat twee uur drogen. Het boekje is maar 20 cm hoog, maar de flappen aan de boven- en onderkant werden nadat ze waren ingeknipt teruggeslagen naar de binnenzijde en met boekbinderslijm vastgezet op de binnenzijde van de platten. Ook in het midden zorgde ik ervoor dat het strookje iets uitstak boven het oorspronkelijke bandje want ook daar wilde ik het linnen over de oorspronkelijke rug terugslaan, zodat er uiteindelijk niets meer zichtbaar is van de oude rug.

Vervolgens smeerde ik het voor en achterplat in met boekbindersstijfsel (Let op! Boekbinderslijm laat zich vrijwel niet meer corrigeren! Bij boekbindersstijfsel is het loshalen en verschuiven veel makkelijker) en beplakte ik beiden met origineel negentiende eeuws handmarmer. Daarna liet ik dat even een uurtje drogen.

De volgende stap was het handmarmer om de platten terugslaan en de strook aan de binnenzijde vast zetten met boekbindersstijfsel. Drogen... Vervolgens plakte ik aan de buitenzijde op het voor en achterplat (schuin) op elke hoek een stukje boekbinderslinnen van 4 cm. bij 4 cm.


Ik knipte er hoekjes uit en sloeg de driehoekige flapjes terug naar binnen om ze vast te zetten met boekbinderslijm.
Daarna plakte ik het kleine strookje boven- en onderaan de rug vast. Voor het aandrukken is een vouwbeentje erg handig! De buitenkant is nu vrijwel klaar!

Aan de binnenzijde van de platten wil ik de zichtbare restanten boekbinderslinnen van de rug en het handmarmer van de platten bedekken met een vel papier dat ik over het oorspronkelijke gele papier ('paste-down endpaper' en 'free endpaper') plak met boekbindersstijfsel. Daarmee verstevig ik meteen de aansluiting van de platten op het boekblok aan de binnenzijde. Ik had daarvoor twee stroken nodig van 19.5 cm. hoog en ongeveer 24.5 cm. lang. Eerst sausde ik het plat en de 'free endpaper' in met boekbindersstijfsel.

Hierna plakte ik de strook eerst op het plat! Mocht de strook wat te lang of te kort zijn dan kun je de 'free endpaper' altijd nog op maat bijknippen!
Het meeste werk is nu gedaan. Het boek voelt vochtig aan en om het kromtrekken van de platten te voorkomen stapelde ik er tot slot wat boeken op uit mijn bibliotheek om het op de huiskamertafel onder druk langdurig te laten drogen. Zo af en toe controleerde ik even of er geen bladen aan elkaar plakten.

Er ontbreekt nog één afwerkpuntje, een titelschildje.
Ik knipte uit het grote vel dat ik voor de binnenzijde gebruikte een A4-tje. Vervolgens oefende ik op normaal papier wat met diverse lettertypen. Eenmaal tevreden drukte ik af op mijn zelf geknipte vel en plakte het titelschildje op de rug. Klaar! Het boek moet nu de komende paar dagen onder druk even goed uitdrogen. Ik zette het klem in een rijtje boeken in mijn bibliotheek.

En? Wat vinden jullie van het resultaat? Ik ben in ieder geval heel tevreden.
Algemene tip; werk geduldig en werk schoon!