donderdag 4 mei 2017

Nederlands oudste openbaar vervoersbewijs?

Een aantal jaren geleden schreef ik op dit blog “Ephemera uit vak U7” over een toegangskaartje voor een voetbalwedstrijd tijdens de Olympische spelen in Amsterdam in 1928.
Oude toegangsbewijzen maar ook vervoersbewijzen zijn al gauw uniek. Wie bewaarde nou zoiets (en waarom)? Vele miljoenen moeten er zijn er uitgegeven maar slechts een handjevol resteert. Ook op dit gebied zijn er websites en verzamelaars, zoals Willem Boorsma uit Franeker.

Ik ben ooit in een boek, dat ik in mijn kringloop had gekocht, een Amsterdams tramkaartje van rond 1935 tegengekomen (met 'Schoevers' reclame op de achterzijde) dat dienst deed als bladwijzer.
Een aardige vondst, daar niet van, maar ik had natuurlijk veel liever een treinkaartje uit 1839 gevonden. Eén van de ruim 77.000 die in dat jaar zijn uitgereikt en waarvan kennelijk geen enkel exemplaar meer overbleef…
U vond er één?
Dan spoorslags naar het Spoorwegmuseum! Die boden in 2014 nog € 25.000,- euro voor een origineel exemplaar!

Bootkaartjes, treinkaartjes, tramkaartjes, buskaartjes, de papieren variant verdwijnt steeds meer maar ik ben er nog min of meer mee opgegroeid…
Een vertrouw verschijnsel dus, maar kaartjes voor de 'oudhollandsche' trekschuit, ruim twee eeuwen terug? Kenden ze toen ook al vervoersbewijzen? Dat is toch een negentiende eeuws verschijnsel?
Die gedachten schoten door mij heen toen ik op Marktplaats een kaartje aantrof voor de trekschuit Gouda-Amsterdam uit 1775!
Eén ding wist ik meteen zeker, het is zonder meer een ‘rariorum curiosum’ en daar is Perkamentus antiquarius gek op!

De trekvaart tussen Amsterdam – Haarlem was in 1632 de eerste die speciaal voor personenvervoer werd aangelegd. Anderen volgden spoedig. Het octrooi voor de trekvaart Amsterdam – Gouda en vice versa werd vijfentwintig jaar later verleend.
Op 18 april 1658 werd de dienst geopend. In Amsterdam lag het vertrek- en aankomstpunt bij herberg De Beerebijt aan de Amstel (ongeveer ter hoogte van de huidige Tweede Jan van der Heijdenstraat in Amsterdam). De grote gravure hierboven (35 x 49 cm.) van Jan Evert Grave (1759-1805), die als extra plaat in mijn bijzondere deel IV van Jan Wagenaars Amsterdamse stadsgeschiedenis zit, laat het etablissement zien met enkele trekschuiten voor de deur.

De schuiten vertrokken van Amsterdam in de maanden mei-augustus des morgens te 7 ure en ’s avonds ten 8 ure, in de maanden maart, april, september en oktober ook ’s morgens ten 8 ure, en in de maanden november-februari alleen ’s avonds.
Van Gouda vertrokken de dagschuiten ten 11 ure, behalve in de maanden november-februari, en ’s avonds te 8 ure. Aanvankelijk was er ook een middagdienst, doch deze verviel in 1734. De reis duurde 8 uur, mits het ‘aanleggen’ onderweg niet langer duurde dan strikt nodig was! 
Het ruim bood plaats aan maximaal 28 personen en de roef aan 4 personen. Wanneer zich meer passagiers aanmeldden moest een tweede schuit worden ingelegd. Het tarief voor de enkele reis Amsterdam-Gouda bedroeg 15 stuivers, waarvan 5 stuivers voor de tol, en voor gedeelten van het traject naar verhouding. Wie in de roef wilde zitten betaalde 12 stuivers extra. Bovendien genoten de schippersknechts van iedere passagier 1 stuiver voor plaatsgeld, en voor het verhuren van kussens 2 stuivers. Kinderen beneden tien jaar betaalden half geld, behalve die, welke op schoot werden gehouden. Handbagage was vrij. Terwille van de passagiers, die gedurende de nacht de leden wilden uitstrekken waren de schippers verplicht om in de wintermaanden, en sedert 1684 ook in de zomermaanden, stroo in het ruim te leggen. In 1716 evenwel werd op verzoek van de schippers deze verplichting beperkt tot de schuiten, welke op zondagavond van Gouda en op maandagavond van Amsterdam vertrokken.



Behalve passagiers namen de trekschuiten ook stukgoederen, variërende van brieven en geldzendingen tot wasgoed (de vuile was van Amsterdam werd voor een belangrijk deel door Goudse blekerijen gereinigd) mee, waarvoor een gedetailleerd tarief gold. Wanneer jaagschuiten elkaar ontmoetten moesten de naar Gouda varende de buitenkant houden. In verband hiermede bezaten de schuiten twee masten, waaraan de jaaglijn bevestigd werd, een hoge en een lage mast. Uiteraard werd er op toegezien, dat de schippers en hun knechts zich betamelijk gedroegen. Aanvankelijk werd het veer bediend door 12 Amsterdamse en evenveel Goudse schippers. Dit aantal was blijkbaar te hoog gegrepen, want in 1668 al werden deze aantallen teruggebracht tot 8. Zij ontvingen hun aanstelling van het betrokken stadsbestuur. Enige selectie was wel nodig, want hen werden veel brieven en geldzendingen toevertrouwd
Het voorgaande was natuurlijk vastgesteld in een ordonnantie (maar daarin staat niets over vervoersbiljetten).

Bij Koninklijk besluit van 5 april 1823 werd een ontwerp tot bevaarbaarmaking van de Amstel, Drecht en Aar voor grotere schepen goedgekeurd, en in verband daarmede het beheer van genoemde vaarwegen aan een college genaamd ‘Heemraadschap van den Amstel en Nieuwer Amstel’ opgedragen, onder voorbehoud van een schadeloosstelling aan de steden Amsterdam en Gouda voor de te derven inkomsten. Op 2 februari 1824 werd door de beide steden het jaagpad tussen Uithoorn en de brug tegenover Gouwsluis met alle bijbehorende werken en bezittingen en alle daaraan verbonden inkomsten met terugwerkende kracht tot 1 januari 1824 overgedragen aan genoemde instelling.” (J.E.J. Geselschap: ”De trekvaart van Amsterdam naar Gouda 1658-1823”, in Maandblad Amstelodamum 59e jrg. Januari 1972, blz. 7 t/m 15).
Van de zeldzame “Ordonnantie op de vaart langs den Amstel, Drecht en Aar…” (Amsterdam, z.j.) uitgegeven bij Kramer en Zoon, ‘Kantoor-boekverkoopers op ’t Rockin, tusschen de Duifjes- en Gapertsteegen’ zit een exemplaar in mijn collectie 'Watermanagement'.


De trekschuitveren ontwikkelden zich tot verreweg de belangrijkste vorm van personenvervoer in het lage West-Nederland en bleven dat ruim twee eeuwen lang.
In het eerste kwart van de negentiende eeuw zette het verval in. Door de aanleg van (verharde) straatwegen nam de intensiteit van het vervoer per diligence of postwagen toe. Er kwam een net van dagelijkse postritten over heel Nederland. Maar de nekslag kwam toen in het midden van die eeuw ook het vervoer per trein en boot goed op stoom kwam. Rond 1860 was het definitief afgelopen met het persoonsvervoer via de trekschuit.

Mijn vervoersbewijsje werd in Gouda uitgereikt aan de heer Barends. Die betaalde ruim twee eeuwen geleden twee gulden en acht stuivers (nul penningen) huur voor de (avond)roef van zondag 8 oktober 1775 naar Amsterdam.
Een fors bedrag als we bedenken dat een arbeider toen tussen de twintig en vijfentwintig stuivers per dag verdiende.

De kaartverkoper was Jan Willem van Sweeringen (Ged. onbekend – 1781), kastelein (waard of herbergier) in het (Groot) Amsterdamse Veerhuis (later ook wel bekend als ‘Le Lion d’Or’) aan de Hoge Gouwe te Gouda; “alwaar de Roeven verhuurt en de Schuit voor de deur aankomt en afvaart, en men Logeert en Tracteert voor een civile prys”.
Volgens de Goudse poorterboeken was Jan Willem in 1758 uit Utrecht gekomen. In 1769 en 1777 kocht hij huizen aan de turfmarkt te Gouda. Mogelijk grensde de percelen aan het Amsterdams Veerhuis om de hoek aan de Hoge Gouwe, want achter het veerhuis bevond zich later een rijtuigstalling.
Uit het dagboek van de Oranjegezinde achttiende eeuwse Goudse burgemeester Willem van der Hoeve (1729 - Overl. na 1795) weten we dat het gepeupel het in het politiek roerige jaar 1788 had voorzien op het Amsterdams Veerhuis “omdat daar veele van de patriotten wel eens een pyp gaan rooken, Om malkander eens te zien".

Nadere bestudering van dit ruim twee eeuwen oude vervoersbewijsje (10 x 7,5 cm.) leidt tot de volgende conclusies en vragen.
Om de drukkosten te rechtvaardigen moeten er behoorlijk wat kaartjes zijn verkocht. Enkele tekstgedeelten zijn voorgedrukt waaronder de naam van Jan Willem van Sweeringen. Dat wijst er op dat hij de kaartjes heeft laten maken. Het voorgedrukte ‘Roef' (het dure meer luxe gedeelte van de trekschuit ten opzichte van het goedkope 'ruim') en vooral verderop 'alwaar de Roeven verhuurt...' lijkt mij een aanwijzing dat er uitsluitend hiervoor kaartjes (feitelijk reserveringsbewijsjes) waren. Anders had men dit wel opengelaten om het met de hand nader in te vullen.


Bijzonder opvallend is ook de laatste reclameregel over logeren en trakteren tegen een ‘civile’ prijs waarmee dit kaartje een opmerkelijk modern trekje krijgt en Jan zich laat kennen als een slimme ondernemer (al heb ik mijn vragen bij zijn rekenkunst…).
Jan Willem hield de verhuur/inkomsten bij in een register ('voor d'Aantekening').
Dat lijkt mij logisch en zelfs (van overheidswege) verplicht, maar voorgedrukte kaartjes? Lieten zijn voorgangers en opvolgers ook dergelijke kaartjes drukken? Wie het weet mag het zeggen…
Gezien de naamgeving moet er van oudsher al een band zijn geweest tussen ‘Het Amsterdamse Veerhuys’, de veerverbinding Gouda-Amsterdam en de verkoop/verhuur van vervoersbewijzen. Pas in 1803 nam het stadsbestuur daarover formeel een besluit en daarom kon notaris C.C. Krom in een vroeg negentiende eeuwse advertentie melden dat “het Verhuren der Roeven van de Volkschuit op Amsterdam, welke voor hetzelve afvaart en aankomt” behoorde bij de koop van dit vanouds gerenommeerde logement.

Tot slot; hoe uniek is dit object eigenlijk?
De oudste advertentie - die ik in Delpher vond - waarin sprake is van kaartjes voor de trekschuit is van 1830!


Vragen, mailen en Twitteren bij en naar verschillende personen en instanties leverde alleen verbaasde reacties op.
Vervoersbewijzenverzamelaar Willem Boorsma is er nooit één tegengekomen in al die jaren dat hij verzamelt en zou het wat graag aan zijn collectie toevoegen.
Diverse erfgoedinstellingen hebben iets dergelijks nimmer gezien of in hun bezit.
Historicus Ad van der Zee, werkzaam bij het Erfgoedhuis Zuid-Holland (en 'trekschuitconsulent') vraagt zich af of zoiets ooit bestaan heeft; laat in de negentiende eeuw wellicht? "Maar als je er eentje hebt gevonden uit 1775 is dat wel bijzonder".
En Diederick Wildeman conservator zeevaartkunde & bibliotheekcollecties bij het Scheepvaartmuseum in Amsterdam mailde mij: "Wij hebben geen vergelijkbaar document in onze collectie. Een kaartje voor een trekschuit zou zeker niet misstaan in de collectie van het Scheepvaartmuseum!".
De handel in ephemera of 'vieux papiers' misschien?
Een bekend antiquaar en veilingmeester bij wie ik informeerde schudde ontkennend zijn hoofd; "Ik zou er een bloedprijs voor vragen...".

Het ziet er dus naar uit dat ik het laatst overgebleven kaartje voor een Hollandse trekveerverbinding in handen heb.
Sterker nog… vermoedelijk Nederlands oudste (openbaar) vervoersbewijs...

5 opmerkingen:

  1. Proficiat, heel mooie vondst. Ik begrijp alleen de optelling niet: twee gulden en acht stuivers, plus twee stuivers, dat is toch twee gulden en tien stuivers? En niet twee gulden en twee stuivers?

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Waarde Boris,

      Kan je geen ongelijk geven... Wie het weet mag het zeggen!

      Verwijderen
  2. Wat een prachtig verhaal weer en wat een mooie vondst. Ik kan al genieten van dat tramkaartje uit 1935 dat uit een boek valt. Ik kocht ooit een boek "Facetten van Wagner" waar een brief in bleek te zitten van de alt Aafje Heynis aan de schenker van het boek. Mooie dingen zijn dat :)

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Dank! Ja brieven en enveloppen zijn ook dankbare boekenleggers. Ik las ooit ergens dat zelfs plakken kaas en salami.... Ik moet er niet aan denken ;))

      Verwijderen
  3. Hiermee is het record van Jaap Buurman, die een vervoersbewijs heeft voor de postkoets gedateerd 4 mei 1807, verbroken (Bron: http://www.gelderlander.nl/achterhoek/oudste-vervoersbewijs-in-museum-doetinchem~ae075370/

    BeantwoordenVerwijderen